home
Nostradamus roman home

Nostradamus roman

gratis ebook

 

De Grootste Zondaar Ooit

Een vlotte, spirituele, historische roman over het leven van Nostradamus, de beroemde ziener uit de 16e eeuw.

Na een gelukkige jeugd weet Michel de Nostredame als jonge arts in de nadagen van de donkere Middeleeuwen de pest met succes te bestrijden. Maar dan overkomt hém een ramp, die zijn leven totaal verwoest...

een roman van Eric Mellema



De mooie versie met pagina's (1.2 MB): gratis ebook in pdf


boekomslag (ontwerper)



© 2006 Eric Mellema
Alle rechten voorbehouden



Met dank aan:

Jack van Mildert
Liesbeth Gijsbers
Moene Seuntjens
Marleen van Haeren
Ria Adriaensen
Els Pellis
Guus Janssens
Ronald Mengerink
Arthur Hendriks

Met speciale dank aan: Trudi Koning



Hoofdstuk 8/16



Hoofdstuk 1



'Brrr, wat is het hier verschrikkelijk koud.'
'Nou niet klagen, Mercurius, nog maar eenendertig dagen voordat je bent omgedraaid.'
'Wie is daar?'
'Ik ben Hermes, je hogere ik.'
'Hermes, je bezoek komt op tijd, want ik word knettergek van die eentonige wentelingen om mijn as.'
'Wel, ik kan je verklappen dat Zeus besloten heeft dat je opdracht er bijna op zit. Je hoeft alleen nog door het vlees te gaan, voordat je mag stralen.'
'En waarom weet jij dat allemaal?'
'Ik ben de snelste van de Melkweg en leg mijn oor hier en daar te luister. Bovendien is het mijn taak om boodschappen over te brengen.'
'Hoelang moet ik nog?'
'Totdat je op één lijn met de Zon en de Aarde staat, binnenkort dus.'
'Hm, het is tenminste weer eens wat anders dan een dode planeet te zijn. Mijn enige vertier is het planten van schokgolven en zonnebaden.'
'Je zal dit eenvoudige bestaan nog gaan missen, mijn stoffelijke broeder, maar heb nog even geduld.'

Een maand later vond er op Aarde een bijzondere geboorte plaats. Een mens met ongekende profetische gaven ging het levenslicht zien. De bevalling van de astroloog in de dop vond plaats in het prille begin van de Renaissance in het Franse stadje Saint Rémy de Provence. In een statig pand achter de markthallen, waar de koopmannen al enige tijd luid hun handelswaar aankondigden, waren de weeën begonnen. Reynière de Nostredame had nauwkeurig de datum van de geboorte uitgerekend, maar het inzetten van de bevalling kwam niettemin onverwachts. De kleine had waarschijnlijk een iets eerdere geboorte in gedachte om aan een optimale stand van de planeten te voldoen. De opvallend grote slijmprop, die tijdens de zwangerschap de baarmoedermond dient af te sluiten, was onlangs naar buiten gekomen. Dit was het teken dat het einde van de zwangerschap naderde. Reynière verloor bloed en liet haar vader Jean de Saint Rémy komen; haar vader was lijfarts van René de Goede, de wijlen graaf van de Provence. Zwetend lag ze op bed en haar man Jacques, die het tot notaris geschopt had, kwam haastig met haar vader binnengelopen. De barensweeën kwamen nu regelmatiger en werden steeds pijnlijker, totdat ze op het hoogtepunt zomaar ophielden. Haar vader keek bezorgd en betastte vakkundig de buik van zijn dochter. Opgelucht constateerde de arts dat het nog ongeboren kind bewoog en dat Reynière zoals gebruikelijk vruchtwater verloor. De gangbare pijnen keerden terug en de vliezen braken, de bevalling was nu echt begonnen. Langzaam maar zeker maakte Reynières lichaam een opening voor de baby naar buiten. De baarmoederhals, die tijdens elke zwangerschap goed samengetrokken is, ging nu steeds wijder openstaan. De wonderlijke nieuwkomer vocht alsof zijn leven ervan afhing en de uitdrijvingsfase verliep uitputtend. De ontsluiting zou wel liefst tien uur in beslag nemen. Uiteindelijk kwam het hoofdje als eerste tevoorschijn en zijn opengesperde oogjes namen de wereld kritisch in beschouwing. Jean en Jacques wisten niet wat ze zagen en keken elkaar lachend aan. De schouders waren nu aan de beurt, waarna de rest van het lichaampje probleemloos naar buiten gleed.
'Michel!' verwelkomde de moeder het natte hoopje vol trots. Jean pakte voorzichtig het ietwat bloederige kindje op, dat nog aan de navelstreng vastzat, en legde het op de buik van de moeder neer. De jongen was met de helm op geboren*(met vlies om het hoofdje: helderziende kinderen). Michel de Nostredame kwam precies op het middaguur op veertien december in het jaar 1503 tevoorschijn, met op de achtergrond het luidruchtige klokkengelui van de kerk van Saint Rémy. Zijn ouders waren dolblij met hun eerste kind, dat als katholiek een veilige toekomst tegemoet zou gaan. Jacques en Reynière stamden allebei uit een oud joods geslacht, maar enkele jaren daarvoor werden alle joden op straffe van de dood verplicht zich te bekeren tot het katholicisme. Op tafel brandde echter nog steeds de Chanoeka-kandelaar, kenmerkend voor het joodse lichtfeest, dat die maand gevierd werd. Bij dergelijke feesten werd de traditie heimelijk in ere gehouden en Jacques las dan altijd uit de Talmoed voor. Ditmaal richtte hij zich plechtig tot hun pasgeboren zoon en vertelde te midden van de hele familie dat de Talmoed over het wonder van Chanoeka spreekt. Michel lag in doeken gewikkeld en hoorde slechts de vaderlijke klanken.
Toen de kleine in de navolgende jaren kruipend en later lopend de wereld ontdekte, bleek dat hij een zeer nieuwsgierig ventje was. Hij wilde werkelijk alles in huis onderzoeken dat maar los of vast zat en elk voorwerp werd aandachtig op waarde geschat. Geestdriftig stortte hij zich ook op bezoekers en zat soms van achteren in hun haren te wroeten. Al snel verlegde hij zijn grenzen buitenshuis, waar hij zijn leeftijdsgenootjes links liet liggen. Zij speelden volgens hem nutteloos in de rondte. Eenmaal bluste hij midden in de winter het brandende haardvuur met water en zat dan gefascineerd naar de stoomwolken te kijken. Bij zijn eerste bezoek aan de markt kwam zijn gave tot voorzien aan het licht. De familie wandelde die dag langs de kraampjes met uitgestalde waren. Michel hield zich door zijn beperkte lengte alleen bezig met wat zich onder de houten stallen afspeelde: visresten, rottend fruit, afvalbloed, kapotte jute zakken, hier en daar een knagende rat en talloze schuifelende voeten. Dit onder nauwlettende blik van zijn moeder. De familie De Nostredame bleef bij een kraam met glaswerk stilstaan en wilde er iets moois voor de feestdagen aanschaffen. In de vorige eeuw kwamen drinkglazen alleen bij de sociale elite voor, maar tegenwoordig werd glas massaler geproduceerd, waardoor het betaalbaar werd. De gewiekste marktkoopman zette terstond zijn tanden in de zwakste schakel en probeerde de jonge moeder in te palmen.
'Weet u mevrouw, aardewerk en houten en tinnen tafelgerei zijn functioneel, maar wel erg lelijk. Glazen voorwerpen zijn tegenwoordig je van het.' Reynière hoorde hem monter aan, terwijl ze haar enige kind dichtbij hield.
'Er zijn verscheidene typen glazen drinkbekers in omloop,' ging hij verder. 'Zie hier, schitterende bekers met een holle, trechtervormige voet, en lage kelkglazen op een hoge, stengelvormige stam. Daarachter staan weer cilindervormige bekers met noppen.'
'En wat is dat voor soort?' vroeg ze.
'Dat zijn Berkenmeiers, mevrouw, drinkglazen met een trechtervormige cuppa en fijn gekartelde standring.' De koopman haalde alles uit de kast, omdat de familie zo te zien wel wat centen te makken had. Jacques vond de ribbelbekers wel leuk.
'De ribbelbekers zijn een populair model,' haakte de handelaar er meteen op in, 'naast lage drinknapjes, koolstronken en Berkenmeiers natuurlijk.'
'Waarom zitten die ribbels er eigenlijk op?' vroeg Reynière verder.
'De decoratieve ribbels of noppen zorgen voor meer grip op het glas.'
'En wat verkoopt u het meest?' informeerde haar man.
'Vooral glazen drinkgerei gaat grif van de hand. Schenkgerei, zoals flessen, zijn nog erg kostbaar.' De specialist bleek als enige in de streek een grootse verzameling glas te bezitten en fier haalde hij zijn mooiste fles tevoorschijn. De familie raakte onderhand volledig in vervoering van zijn producten en Jacques verzocht de man of hij dit exemplaar van dichtbij mocht bekijken. De kleine Michel gedroeg zich al die tijd voorbeeldig en keek in alle rust naar de halfvolle kisten onder de kraam. Daarboven pakte Jacques het glazen pronkstuk onhandig aan en het gleed pardoes uit zijn handen. De verwachte knal bleef verrassend genoeg uit en allen richtten geschrokken de aandacht omlaag. Daar had hun zoon de peperdure fles zomaar opgevangen. Hij zette het geschenk uit de hemel speels aan zijn lippen, waarop de eigenaar het resoluut uit zijn handjes weggriste. Na vele spijtbetuigingen van Jacques om zijn klunzige gedrag, vertrok de ontgoochelde familie zonder koopwaar naar huis. Daar stak de met de schrik vrijgekomen vader de loftrompet over zijn zoon.

Zijn ouders droegen de knaap voor zijn opvoeding over aan grootvader. Bij de erudiete Jean was hij in goede handen. De voormalige lijfarts en astroloog leerde zijn kleinkind naast wiskunde, Oudgrieks, Latijn en Hebreeuws, ook de beginselen van de astrologie. Zo nam Jean hem vaak 's avonds mee naar buiten het dorp, om saampjes liggend in het veld naar de sterren te kijken. Daar vertelde hij dat je het best in de winter de noordelijke hemel, en in de zomer de zuidelijke hemel kon bekijken, en dat de winterse sterrenbeelden, zoals de Grote en Kleine Hond, gemakkelijk met de ster Orion te vinden waren.
'Ik wil later ook een ster worden,' zei zijn kleinzoon toen.
'Wat grappig dat je dat nu zegt. Ik dacht net aan een spannende anekdote waarbij iemand voor straf als ster aan de hemel wordt geplaatst. Het gaat over Orion, die zijn zeven zussen de Plejaden achternazat. De zussen zagen de achtervolging echter als een bedreiging en baden om hulp, waarna de godin van de jacht hun verzoek inwilligde en de broer met een van haar pijlen doodde. Vervolgens werd Orion als ster aan de hemel geplaatst. Maar ik weet niet of dat met mensen van vlees en bloed ook mogelijk is, Michel. Hoewel, er schiet mij te binnen dat er in oude geschriften melding van gemaakt wordt. Dus wie weet? De Plejaden zijn trouwens met het blote oog te zien. Kijk, daar staan ze,' en Jean strekte zijn arm uit naar de zwarte hemel.
'Die sterren lijken elkaar wel aan te raken,' merkte de jongen op.
'Dat lijkt zo ja, maar in werkelijkheid staan ze juist ver van elkaar af,' zei hij. In de lente toonde opa de sterren Arcturus, Regulus en de fonkelende Spica, de helderste sterren aan de lentehemel, die samen de lentedriehoek vormen. Pas weer in de herfst, die zomer waren de sterren niet goed zichtbaar, toonde grootvader het gevleugelde paard Pegasus, dat vaak lastig te vinden is doordat het op z'n kop staat. Door de uitstapjes leerde Michel de constellaties kennen en telkens mopperden zijn ouders dat ze zo laat thuiskwamen.
Op een heldere avond, toen Jean zijn kleinzoon eens te meer had meegenomen, betrok het weer onverwachts. Er was geen hemellichaam meer te zien en Michel maakte verwensingen naar de donkere wolken die zich samen pakten. Die nacht lag de belhamel in zijn bed te woelen, dat met lange gordijnen van andere slaapgedeeltes was afgescheiden. Hij was nog steeds kwaad en teleurgesteld, toen plotseling de vensterluiken opensloegen, waarna een razende tornado hem uit bed trok. Hij wist zich nog net aan het kozijn vast te grijpen, terwijl zijn lichaam al buiten bungelde. Reynière ontwaakte tegelijkertijd door moederinstinct, schudde haar man wakker en samen renden ze naar hun kind, dat in doodsnood verkeerde. Met z'n tweeën trokken ze zoonlief de kamer terug in en ze sloten daarna het raam stevig af. Niet echt beseffend wat er was gebeurd, gingen ze opnieuw slapen, toen enige tijd later het venster wederom werd opengetrokken. Andermaal richtte de windhoos zich ziedend op de begaafde jongen, maar zijn ouders waren er als de kippen bij en overwonnen het natuurgeweld eer hij de kamer werd uitgezogen. De luiken werden voorgoed dichtgespijkerd. Deze les zou hun zoon niet meer vergeten. Geen vervloekingen meer tegen wie of wat dan ook, nam hij zich voor.

Op een dag kwam er bericht van Pierre de Nostredame, de andere grootvader van Michel, die van zijn vaders kant. Pierre woonde met zijn vrouw in Grasse en nodigde de hele familie uit om een paar weken bij hen te komen logeren. Pierre was ook lijfarts geweest en wel van de zóón van René de Goede. Toen deze in Barcelona werd vermoord, vestigde Pierre zich in de opkomende parfumstad. Jacques en Reynière besloten op zijn uitnodiging in te gaan. Voor de reis was een flinke voorbereiding nodig, omdat Grasse niet bepaald naast de deur lag en ze er in de loop der jaren vier kinderen bij hadden gekregen, allemaal jongens. Een drukke bedoening. Een aantal weken later was het dan zover en ze stapten in de gepachte koets met een span paarden. Vader, moeder en drie zonen. Jean bleef thuis met de twee jongsten. Na een paar dagen bereikten ze Cannes, vanwaar een pad landinwaarts richting Grasse leidde. Het landschap werd hier aan alle kanten begrensd door weelderig begroeide heuvels en het nodigde uit voor een tussenstop. Dat hadden ze beter niet kunnen doen, omdat zoon Hector meteen spoorloos raakte en het drie uur kostte, voordat ze hem in een spleet hadden teruggevonden. En wie moest de knaap vinden? Michel natuurlijk! Hector kreeg een draai om zijn oren en ze reden verder. Achter hen was af en toe nog een glimp van de Middellandse Zee te bewonderen. Er waren niet veel bloeiende planten in de parfumstreek. De zomer liep ten einde en de bijen zochten naar de laatste honing. Eindelijk zagen ze Grasse tegen een berghelling liggen, omringd met velden die pas in de lente weer hun bloemen zouden prijsgeven. Toen ze de rijke handelsstad binnenreden, keken vooral de jongens hun ogen uit. Er waren tal van leerlooierijen te zien, die volgens vader nog niet lang geleden een verschrikkelijke stank verspreidden. Om de penetrante geur van het leer te verdrijven, hadden de Grassois bedacht om het leer met een mengsel van dierlijke vetten en bloemen te doordrenken. Uit de nood ontstond een deugd en binnen afzienbare tijd werden geparfumeerde tassen, handschoenen en broeksriemen een heuse rage. Moeizaam hobbelde het rijtuig langs de vele winkeltjes met uitgestalde lederwaren, maar ten slotte bereikten ze Place aux Aires, waar hun grootouders woonden. Bertrand smeet driftig het koetsdeurtje open om zo snel mogelijk te gaan ravotten, maar zijn vader weerhield hem.
'Eerst je grootouders begroeten, jongeman,' zei hij. Pierre kwam ondertussen zwaaiend aangelopen en begon meteen de koffers naar binnen te sjouwen. Ondanks zijn hoge leeftijd was hij zeer kras en hij werkte nog steeds voor het artsengilde. Na opa gezoend te hebben, renden de drie broertjes in extase de wildvreemde, maar o zo aanlokkelijke stad in.
'Laat hen nog maar even spelen,' zei Reynière versuft tegen haar man, 'dan kunnen wij in alle rust onze bagage uitpakken.' De kinderen paradeerden inmiddels langs de vele parfumeurs, zeepziederijen, destilleerderijen en andere handelaren. Grasse was een bruisende maar ook een heel vieze stad en de open rioolgoten konden de bergen afval niet of nauwelijks verwerken. Desondanks rook het heerlijk in de straten. Overal waren er koffers, zakken en ballons vol bloemenwater, oliën, wijn, lavendelzeep, kruiden en geurend leder. De elfjarige Michel was in een waar paradijs voor de zintuigen beland en werd spoedig overvallen door een specifieke geur die hem een steegje introk.
'Waar ga je nou naar toe?' riepen Bertrand en Hector verbaasd. Maar Michel gaf geen soelaas en liet zich vol overgave door het nauwe straatje leiden tot aan een poort, die naar buiten de stad voerde. Onder de stenen boog stond hij een moment stil, sloot zijn ogen en rook. Hier was de geur op zijn sterkst. Hij snoof de eigenaardige lucht diep op, die zoet en tegelijk macaber was. Even later keerde hij vervuld terug en vond zijn broertjes spelend op het plein. De dagen vlogen in deze fantastische stad voorbij en morgen zou het alweer spannend worden: een bezoek aan een bekende parfumerie. Grootvader Pierre was bevriend met Amalfi, de eigenaresse van het fabriekje. Hij had haar toezegging dat zijn familie een rondleiding zou mogen meemaken. Zo begaven ze zich die ochtend tussen de potentiële kopers, die van heinde en verre waren toegestroomd, en Amalfi leidde hen persoonlijk rond. De deftige lieden zagen Hector uitgebreid in zijn neus peuteren en vader gaf hem een standje. Amalfi vertelde intussen over haar fameuze geurenlijn.
'In deze azuurblauwe flacons zitten verschillende eau de toilet en soliflores voor vrouwen.' De groep schuifelde na haar inleiding naar een volgende tafel, terwijl hun andere zoon lastig werd. Bertrand probeerde uit het zicht de flacons te openen.
'Blijf daarvan af, Bertrand,' waarschuwde vader. De madame merkte het gelukkig niet en sprak verder: 'Soliflores zijn geurwaters met slechts één bloem, plant of fruitsoort.' Na een uitvoerige opsomming van het assortiment volgden de gasten haar naar een ander vertrek, waar ingenieuze werktuigen stonden opgesteld.
'Dit zijn onze destillatie-alambieken. Destillatie is door de Arabieren ontwikkeld.' De aandachtig toeluisterende Michel en zijn grootvader hoorden nu hoe Hector bij moeder zeurde voor toestemming om te plassen. Het storende gepraat haalde ook de fabrikante uit haar verhaal en ze kuchte geagiteerd.
'Ga vlug naar buiten, maar wees stil!' gebood Reynière haar kind.
'Oorspronkelijk komt jasmijn uit India en Spaanse zeelui hebben de bloem niet lang geleden via Noord-Afrika in Grasse geïntroduceerd. Maître Gantier heeft er een monopolie op weten te krijgen,' hervatte de madame.
'Een goede gelegenheid om een parfum te kopen,' fluisterde Reynière tegen haar man. Jacques zegde gemakzuchtig toe, omdat hij volledig door de kleintjes in beslag werd genomen. Gelukkig draalden ze voor het moment om Pierre heen en gedroegen ze zich netjes. Vader wist zelfs nog een laatste flard van het verhaal op te vangen.
'Als ik ze vergelijk met buitenlandse jasmijn, valt het mij iedere keer weer op dat Jasmin Grassois meer diepte en volume heeft. Ach, ik zou u nog veel meer kunnen vertellen over onze parfumerie, maar ik zie mij genoodzaakt de rondleiding te beëindigen. Zijn er nog vragen of opmerkingen?' Onverhoeds liep Michel met veel elan naar voren en vroeg of hij het woord mocht. Vader kreeg inmiddels hoofdpijn van alle onvoorspelbare reacties van zijn koters, maar mevrouw Amalfi was daarentegen gecharmeerd van het kinderlijke verzoek en stemde ermee in. Michels bloed ging sneller stromen. De kleine profeet rechtte de rug en sprak met zeggingskracht zijn eerste voorspelling uit.
'Deze parfumerie zal ooit eens zeer bekend zijn. Dat zal te danken zijn aan een leerling met een uitzonderlijk goede neus. Zijn naam is Montesquieu en hij zal drie meesterlijke luchtjes produceren. Op zijn hoogtepunt zal hij voor zichzelf een bizar parfum met de geur van jonge, pas gedode meisjeslichamen maken. Na zijn dood zal het succes weer afnemen.' Hiermee eindigde de vroege tiener zijn oratie en stapte toen waardig naar zijn ouders terug. Iedereen stond paf en ook Amalfi wist niet te reageren. Jacques gaf zijn zoon maar geen standje, omdat de jongen zich correct aan de omgangsregels had gehouden. Niemand sprak nadien over de macabere voorspelling, die niet te rijmen was. Ietwat beschroomd voor het optreden van zijn rare kleinzoon bedankte Pierre de eigenaresse voor het boeiende uitje en de familie keerde naar huis terug. De vakantie liep spoedig ten einde.

Opa Jean was erg blij met hun terugkomst, vooral vanwege Michel, met wie hij een bijzondere band had opgebouwd. Toen het rijtuig in hun straat de Rue des Remparts kwam aangereden, zochten de twee dan ook direct oogcontact. Hector en Bertrand waren doodop van de lange rit en gingen rechtstreeks naar bed, maar Michel was nog steeds opgewonden van zijn optreden. Koortsachtig besprak hij met grootvader zijn merkwaardige voorspelling en drang tot openbaring. De eigenaardige geur in Grasse had bij hem iets wakker gemaakt, meende de beginnende puber. Jean nam hem serieus en stelde voor dat hij al zijn inzichten met betrekking tot de astrologie zou delen, maar nu moest Michel ook naar bed. Pas na uren dreven de spranken van zijn geest weg en viel hij in slaap. Een paar maanden later vond opa het een geschikt moment om zijn oudste kleinkind verder in de astrologie te onderrichten. Hij zou hem het naadje van de kous vertellen en nam hem die avond mee naar de zolder. Dit was zijn persoonlijk vertrek en niemand mocht daar ongevraagd rondsnuffelen. Zeker geen kinderen, want hij was bang dat zijn kwetsbare instrumenten beschadigd werden of dat zijn papieren zoek zouden raken. Vanuit zijn luie stoel vertelde grootvader Michel dat hij een tijd geleden in Parijs een vernuftig apparaat op de kop had weten te tikken. Het waren twee geslepen lenzen in een pijp, waarmee je heel ver kon kijken.
'Dankzij deze uitvinding is er een wereld voor mij opengegaan,' zei hij, 'en naar mijn inzien ben jij nu oud genoeg om deze wereld te betreden. Ik zie jou namelijk een grote toekomst tegemoet gaan. Je hebt uitzonderlijke geestelijke vermogens en daarom ga ik jou alles wat ik maar weet over sterrenkunde vertellen. Tot dusver liet ik niemand zonder toezicht op deze kamer, maar voor jou maak ik een uitzondering. Hierbij geef ik je toestemming om al mijn instrumenten en boeken te gebruiken wanneer jij maar wilt.' Zijn opa stond op en haalde een groot voorwerp onder een stoffige doek vandaan.
'Met dit kijkglas, jongeman, zie je de planeten van zo dichtbij dat je je er waant. Maar eerst reik ik je enige theorie aan, voordat we de hemel gaan ontdekken.' Zijn kleinzoon keek intussen met argusogen naar het spannende apparaat.
'De astrologie zoekt het verband tussen de verschijnselen in de kosmos, op Aarde en in de mens. Maar hebben we het hier niet eerder over gehad?' Michel schudde van nee.
'Mijn geheugen is niet best meer, jongen. Door dit onderzoek zijn we in staat uit de gegevens van één moment die van een reeks volgende af te leiden. Met andere woorden: we kunnen er de toekomst uit voorspellen. Dit is veel moeilijker dan het lijkt. Al sinds mensenheugenis gaat men ervan uit dat de Zon, de Maan en de planeten ons leven hier op aarde beïnvloeden.' Grootvader stond weer op, maakte het dakluik open en plaatste het kijkglas met statief eronder.
'Kom eens hier staan, de zon is juist ondergegaan en wellicht kunnen we enkele planeten zien. Ik zal eens even kijken of... Daar is ze! Kijk Michel, een handlengte boven de laatste zonnegloed: Mercurius, de planeet van het verstand en de geestelijke vermogens.' Zijn kleinzoon keek door het apparaat heen en ontdekte een roze planeet die twinkelde. Jean sprak verder.
'Zoals je weet, draait de Aarde in één jaar rond de Zon en niet andersom, zoals de Kerk beweert. Die houdt ook nog steeds vol dat de Aarde plat is en dat je eraf kunt vallen. Zotteklap! Ze zien hun volgelingen liever dom dan wijs.'
'De Zon maakt toch ook jaarlijks een cirkel?'
'Jawel, maar niet om de Aarde, maar langs verschillende sterrengroeperingen. En die groepen tezamen noemen ze de dierenriem of Zodiak. Zo zijn er Tweelingen, Ram, Stier, Waterman, enzovoort.'
'Ik ben Boogschutter.'
'Ontegenzeggelijk, jongen, maar het duurt nog een tijdje eer de Zon daar langssuist, want we leven thans in het Waterman-tijdperk.' Opa tuurde weer door het kijkglas en zette zijn relaas voort.
'Mercurius is altijd in de buurt van de Zon en is om die reden vaak niet goed zichtbaar, maar vanavond hebben we geluk,' en hij gaf het apparaat door.
'Ik vind die planeet niet echt spannend,' vond Michel, terwijl hij door de lenzen tuurde.
'Dan moet je de Maan eens zien,' en vredig zocht Jean het hemellichaam in het wolkenloze gewelf op. Er was sprake van echte liefde tussen grootvader en kleinzoon. Misschien wel omdat ze erg op elkaar leken. Zo hadden ze dezelfde interesses en waren ze beiden tenger van postuur. Alleen de jongste had het leven nog voor zich en opa duidelijk niet meer.
'Dit is wat jij wilt zien,' zei Jean en hij stapte opzij.
'Wauw!' riep Michel en hij vergaapte zich aan de gigantische Maan vol kraters, bergen en kloven.
'Er loopt iemand op de Maan rond, grootvader.'
'Haha, die is leuk. Ook al zou dat mogelijk zijn, het is te ver weg om zulke details te zien.'
'Ik zie hem echt,' hield de jongen aan. 'Hij plaatst een vlag met roodwitte strepen en sterren.' Jean trok een bedenkelijk gezicht en nam het kijkglas over. Daar stond zijn vertrouwde Maan, veel te ver weg om een mens te zien.
'Ik zie niet wat jij ziet, Michel.'
'Misschien staat het nog te gebeuren?'
'Alles is mogelijk, knul, maar ik weet alleen over zaken te praten, waar ik verstand van heb. Zo wilde ik je nog uitleggen, hoe je een horoscoop moet trekken,' en ze lieten de hemel voor wat het was en gingen op bed zitten.
'Om een horoscoop te berekenen heb je een aantal gegevens nodig. Dat zijn de datum, tijd en plaats van je geboorte, maar het belangrijkst is de geboortedatum. Laat ik als voorbeeld je eigen horoscoop erbij nemen.' Grootvader doorzocht een lade van zijn bureau en haalde er een vel vol vreemde tekens uit.
'Is dat de mijne?'
'Even kijken, geboren in Saint Rémy, op twaalf december 1503. Ja, dit is die van jouw.'
'Het moet wel de veertiende zijn.'
'De veertiende? Dan moet ik het er verkeerd boven hebben gezet, want ik controleer alles driemaal. Het zal wel door de ouderdom komen,' en opa verontschuldigde zich. 'Enfin, je hebt een zwaar beladen horoscoop met drie buitenplaneten: Mars, Jupiter en Saturnus. Door deze heftige samenstelling heb je een ijzeren discipline nodig om de scheppingskracht te beheersen. Als dit je niet lukt, zal de kracht verwoestend uitpakken.'
'Zoals Simson, die een hele tempel liet instorten?'
'Eh, dat is niet echt een goede vergelijking. Je zal in elk geval je energie moeten leren kanaliseren. En knoop goed in je oren dat in ieder mens evenveel goed als kwaad schuilt,' en Jean vestigde zijn aandacht weer op de horoscoop.
'Deze tekening hier toont de twaalf huizen en...' maar zijn betoog haperde opeens.
'Ik ben moe,' vervolgde hij amechtig. 'Maar als je meer wilt weten, het wordt allemaal beschreven in dat lijvige werk daar,' en hij wees een boekenplank aan. Grootvader was niet meer aanspreekbaar.

Jean en Michel raakten meer en meer aan elkaar verknocht en werden een onafscheidelijk koppel. Zo gingen ze dikwijls de hele dag naar een oud klooster*(Het latere gesticht waarin Vincent van Gogh in 1890 verbleef), dat een paar kilometer ten zuiden van Saint Rémy verscholen lag. Ze lazen daar urenlang in oorspronkelijke bijbels. Michel leerde er bovenal tot de christelijke God te bidden en hield zich, ondanks zijn joodse achtergrond, moeiteloos aan de katholieke voorschriften. Het was immers toch dezelfde God als uit het Oude Testament, vond hij. Jean neuriede altijd tijdens het gebed, tenminste als er niemand anders aanwezig was. Van de priorij uit struinden ze bij mooi weer door de omliggende lavendelvelden, waar een geheimzinnig, half verzakt, piramideachtig bouwwerk te vinden was. Zijn belezen grootvader wist over alles een opmerking te maken.
'Uit de Griekse oudheid,' zei hij over het bouwwerk en hij rustte er tegelijk bij uit. Michel zat daarentegen vol energie en verkende tijdens Jeans gebruikelijke dutje de omgeving. Op een dag kwam hij enthousiast aangelopen.
'Verderop zijn er allemaal holen in de rotsen uitgehakt, opa. U moet dat zien!' Maar Jean bleef rustig zitten en verklaarde doodleuk dat de holen ooit eens voor geiten waren gemaakt, om ze te beschermen tegen roofdieren. Hij had ze blijkbaar al eerder ontdekt. Op een keer kwam hij amper overeind en toen moest Michel hem letterlijk naar huis toe slepen. In de adolescentie begon de jongeman naar meisjes te kijken en voor zijn mentor was dat een goede aanleiding om over het huwelijk van twee zielen te praten. Hij legde hem uit hoe de mannelijke en de vrouwelijk ziel kunnen samensmelten en dat het principe man-vrouw alom in het universum vertegenwoordigd is.
'Heb je dan ook vrouwelijke en mannelijke planeten?' vroeg Michel.
'De planeten zijn in principe allemaal vrouwelijk. Ze noemen onze planeet niet voor niets moeder aarde,' antwoordde Jean.
'En hebben wij mannen nog iets in het heelal in te brengen?'
'Wel, de sterren zijn mannelijk. Zo is er een straal- en een schaalbewustzijn. Deze eeuwige polariteiten zijn tevens de essentie van de alchemie.' Het grootste gedeelte van zijn jeugd bracht de jongeling met zijn grootvader buitenshuis door en zijn ouders zagen hun snel ontwikkelende zoon nog maar zelden. Alleen tijdens de middagmalen was er nog een algeheel samenzijn. Dat ze elkaar zo weinig zagen, lag niet alleen aan Michel en Jean. Jacques werkte namelijk de hele dag op het notariaat en Reynière had, naast het bestieren van het huishouden, haar handen vol aan de jongste kinderen. Vooral de zevenjarige Antoine was een moeilijk geval, want hij gedroeg zich zeer recalcitrant. Michel kon verder goed met zijn broertjes opschieten, maar samen spelen? Nee, dat zat er niet in. De seizoenen vlogen zo aangenaam voorbij, tot die ene trieste dag. Men trof zijn dierbare grootvader in zijn vertrek aan. Hij bleek van ouderdom gestorven te zijn. Michel had hem al een tijdje achteruit zien hobbelen en wist dat zijn einde eraan zat te komen. Het was desalniettemin een hard gelag.

Het miezerde op de dag van de begrafenis van Jean de Saint Rémy. Er werd afwisselend bij de dode in huis gewaakt, totdat het lijk voor de uitvaart werd overgebracht. Alle familieleden waren aanwezig. De oude Pierre en zijn vrouw waren helemaal uit Grasse overgekomen, en de drie zussen en nichten van Jean uit het dichterbij gelegen Marseille. De katholieke gebedsdienst vond plaats in de kerk van Selongey. De families gingen te voet naar de kerk, waar de lijkkist inmiddels was geplaatst. Michels grootouders liepen onderweg zo traag, dat hij alle tijd had om de chique huizen met traptorens op de Place des Halles tot in detail te bekijken. Eindelijk arriveerden ze dan bij de kerk, waar zich veel vrienden en bekenden hadden verzameld. Bij de ingang werd Michel per ongeluk door een grote man met rossig haar aangestoten. Zijn schoenen zaten onder de verf. Hij was klaarblijkelijk geen genode gast maar wilde wel naar binnen. Michel schonk er verder geen aandacht aan en de rouwstoet bewoog zich stapvoets door de poort met de imposante rondboogdeur. Jacques en Reynière schreden als eersten langs een rij pilaren de kerk in en daarachter kwamen Michel en zijn vier broertjes op chronologische volgorde. Reynière was erg aangeslagen en plengde af en toe een traan om haar verloren vader. Het publiek zette zich vervolgens neer op de houten bankjes in de hoofdkapel, waar de kist centraal stond opgesteld. De kerk van Selongey bezat diverse kapellen, die allen verlicht werden door ramen met bloedrode verdelingen. Heel in de hoogte was er een schildering van een apostel. De laatste bezoeker vond onderhand zijn plek en pastor Bergé, die een vaal rood schouderkleed droeg, ving zijn preek aan. De uitvaartdienst was, zoals bekend, gericht op de reiniging en rust van de ziel van de overledene.
'Als iemand gestorven is, betekent dit dat hij of zij onherroepelijk afscheid heeft genomen van onze wereld. Deze mens is dan bij God. Dit is geen einde, maar een nieuw begin. Wie goed heeft geleefd gaat naar de hemel, en wie slecht heeft geleefd gaat naar de hel. De overgang van leven naar dood is dikwijls geen harmonieuze overgang. Maar de Heer beschermt ons allen, omdat hij het ingewikkelde leven van mensen begrijpt en een ieder accepteert zoals hij is.' De pastor bladerde voorts knullig achter zijn katheder in de Bijbel en begon toen een ellenlange passage in het Latijn voor te lezen. Michel keek wat om zich heen en herkende het metalen wijwatervat, een omgekeerde torenklok, waar een vriendje van hem eens bijna in verdronken was. Overal brandden er kaarsen, zelfs zo veel dat de graftombe van de stichter van de kerk in de voorste kapel verlicht werd. Zijn ingegraveerde beeltenis was bij binnenkomst te zien. Jean had zijn kleinzoon lang geleden weten te interesseren voor kunst en cultuur en samen hadden ze de kerk van Selongey meerdere malen bezocht. Michel kende het interieur goed en zou liever de muurschilderingen bekijken dan het eentonige stemgeluid van Bergé te moeten aanhoren. Of de gepantserde kluis in de sacristie. Dat kon hij natuurlijk niet maken. Grootvader zou het prima vinden. 'Het leven gaat voor de dood,' zei deze altijd. Tenslotte prees Gods dienaar de overledene voor zijn barmhartigheid in gewoon Frans en de bezoekers zaten weer rechtop. Michel zag de slechthorende beiaardier opstaan, die popelde om zijn achtenveertig klokken aan te zwengelen, en die alvast zijn traptoren betrad. Intussen besprenkelde de pastor het stoffelijk overschot met wijwater en bewierookte het. Dit was om aan te geven dat de overledene in zijn lichamelijkheid heilig was voor God. De misdienaar sprak nog enkele gebeden uit, waarin om vergiffenis voor Jeans zonden werd gevraagd. Na het gezang schreden de pastor en zijn helpers de kerk uit en de dragers met de kist volgden hen. Daarachter liepen de aanwezigen. De klokken werden geluid en ze begaven zich allemaal naar het kerkhof vlak achter de kerk. De nabestaanden naderden zwijgend de begraafplaats. Familie, vrienden en toestromende belangstellenden verzamelden zich rondom het gedolven graf, waar de dragers de kist langzaam in het open gat lieten zakken. Reynière legde nog haastig een paar bloemen op het deksel, voordat de pastor, die bij het uiteinde stond, de groeve in stilte zegende en het 'Onze Vader' bad. Naderhand strooide hij een schepje aarde op de kist met de woorden 'Gij zijt tot stof en tot stof zult gij wederkeren.' Vervolgens nam iedereen afscheid van joviale Jean door ook een schepje aarde op zijn kist te gooien, en Michel zag zijn gestorven makker langzaam verdwijnen. Tenslotte bedankte vader de aanwezigen voor hun medeleven en de familie keerde gelaten naar huis terug.
Na de rouwperiode bezochten Michel en moeder het heiligdom van grootvader op zolder. Nog verdrietig opende Reynière de luiken om de kamer te verlichten, waarna ze de nalatenschap inventariseerden. Herinneringen kwamen bovendrijven en haar zoon staarde een tijdje in mineur door het dakraam naar buiten.
'Wat is die zolder toch levenloos en verlaten,' bromde hij, toen moeder onverwachts door een van haar kinderen beneden werd geroepen.
'Ben zo terug, Mies,' en ze liet hem alleen achter. Vanuit het dakraam had je een aardig uitzicht over het stadje. Een halve kilometer verder ontdekte hij een nieuwe woning, die buiten zijn medeweten was gebouwd. Er stond ook een raam open, een van glas. Ongekend, maar het was te ver weg om het goed te zien.
Laat ik de kijker van opa gebruiken, bedacht hij ineens en weldra nam hij elke spikkel van het huis waar. Toen kon de jongeling de verleiding niet weerstaan en keek hij stiekem naar binnen. Hij zag een rijzige man met kort, donker haar, die gepassioneerd achter een schildersezel bezig was.
Wie bootst er nou zonnebloemen na? vroeg Michel zich verbaasd af. De onbekende stond voor een schildersdoek en doopte zijn penseel herhaaldelijk in de verf. Op een gegeven moment pakte hij een ander penseel, waarmee hij verfijnder kon schilderen, en wierp nogmaals een blik op de echte zonnebloemen, die slordig op een tafel erachter lagen. Opeens voelde de kunstenaar zich bespied en draaide zich met een ruk om. De betrapte voyeur schrok zich een hoedje, hoewel hij onmogelijk gezien kon worden, dacht hij. Toch leek de vreemdeling hem aan te staren, vriendelijk dat wel. Nu pas begreep Michel dat het weer een kijkje in de toekomst was. Vrijwel meteen daarna loste de andere wereld op. Ook het huis was geheel verdwenen.
Jakkes, niemand meer om mijn dagdroom mee te delen, treurde hij.




Hoofdstuk 2



Enkele maanden later ging Michel, inmiddels zestien jaar, in Avignon astrologie studeren. Zijn ouders hadden hem schoorvoetend toestemming gegeven om deze ongebruikelijke studie aan de universiteit te volgen. Avignon lag maar op twintig kilometer afstand van Saint Rémy, zodat hij gemakkelijk zijn ouders en broertjes kon blijven opzoeken. Avignon was een zeer belangrijke stad doordat het Pausenpaleis er was gevestigd. Vanaf 1304 was er een reeks Franse pausen en deze kerkelijke leiders gingen allemaal in Avignon wonen omdat hun overlevingskansen in Rome niet zo groot waren. De Franse stad en haar omgeving waren sindsdien pauselijk bezit. Jacques had van een klant vernomen dat mevrouw Plombier, wier man een halfjaar geleden aan de pest was overleden, met haar dochtertjes bij haar familie in Avignon ging wonen. Michel kon meerijden, mits hij de weduwe met haar huisraad zou helpen. Hij vond dat geen punt en ze maakten een afspraak. Mevrouw Plombier had die laatste week haar huis opgeruimd en de inboedel stond ingepakt te wachten op haar jonge medepassagier. Michel klopte op de dag van vertrek aan en begon na haar aanwijzingen de oude, gammele wagen vol te stouwen. Toen naaste buren onverwachts de handen uit de mouwen staken, was het huisraad snel verplaatst. De madame nam daarna zelf op de bok plaats en samen met haar twee meisjes reden ze naar de Rue des Remparts om hun metgezel afscheid van zijn familie te laten nemen. Daar stonden ze allemaal gespannen te wachten, terwijl de weduwe het paard wat onervaren tot stilstand bracht. Michel sprong van de kar af en omhelsde zijn vader en moeder. Die laatste keek erg bedroefd.
'Afscheid nemen lijkt wel schering en inslag te worden,' jammerde Reynière en andermaal vloeiden er tranen langs haar mooie gezicht.
'Ik kom jullie snel opzoeken, hoor,' beloofde hij.
'Dat is je geraden ook,' zei vader, die hem een pakkerd gaf. Nadat de kersverse student ook zijn broertjes gedag had gezegd, werd het tijd om te vertrekken. Iedereen zwaaide hen na, totdat paard en wagen uit de straat waren verdwenen. Niet ver buiten Saint Rémy begon het te plenzen. De regen kwam met bakken tegelijk naar beneden en het werd griezelig donker. De vrouwelijke voerman had gelukkig op slecht weer gerekend en ze spande met Michel een bakzeil over de kar. Toen een bliksem insloeg, raakte het paard onrustig en de weduwe hield het met moeite in bedwang. Haar dochters van vijf en zeven zaten diep onder het zeil weggedoken. Spoedig werd het pad door het vele hemelwater moeilijk begaanbaar en het beloofde niet veel goeds te worden. Halverwege de reis waren er aan weerskanten van de weg ook nog eens grote, angstaanjagende vuren te zien. Er werden lijken verbrand. De pest, de grootste ramp in de geschiedenis van de mensheid, had opnieuw zijn tol geëist en de gruwelijke ziekte woedde door heel Europa. Mevrouw wist als geen ander waar deze vuren voor dienden. Ook haar man was niet lang geleden verbrand om besmetting van pest te voorkomen. Maar ze hield zich kranig en reed vastberaden door. Plotseling hoorden ze in de verte gekrijs, iemand leek om hulp te roepen. Ze besloten er maar niet op in te gaan en door te rijden. Het bleef buitenissig regenen en tot overmaat van ramp stak er een gure wind op. Het paard wist de wagen bijna niet meer vooruit te trekken en gleed regelmatig in de modder weg. Het raakte vermoeid en elke meter was een overwinning. Gaandeweg ontwikkelde er zich een heuse storm en waaiden er takken en struiken over de weg.
'Hel en verdoemenis,' hoorde je madame af en toe zeggen. Vele malen moesten ze stoppen en dan sleepte Michel de resten hout van het spoor. Na uren beestenweer bereikten ze afgejakkerd en doordrenkt van de regen het pauselijk gewest. Nog een laatste hindernis moest genomen worden: de oversteek van de rivier de Rhône. Met striemende tegenwind kwamen ze bij de fameuze brug van Avignon aan. Tot dusver hadden mevrouw Plombier en haar reisgenoot beurtelings op de bok gezeten maar bij de brug, waar de gevaarlijke wind vrij spel had, hield ze liever zelf de teugels in handen. Ze stond net op het punt het paard aan te moedigen om het boze water over te steken, toen Michel opeens luid 'halt' riep. Ze trok direct fel aan de teugels, waardoor het paard op slag moest hinniken en de wagen abrupt tot stilstand kwam. Door de klap begon het jongste meisje te huilen en haar zusje trachtte het tot bedaren te brengen.
'Wat is er in hemelsnaam aan de hand?' vroeg hun moeder verbaasd. De Nostredame gaf geen sjoege, sprong van de kar af en belandde in het slijk. Daarna zwoegde hij onverschrokken door de storm naar de brug, terwijl zijn lange kieljas alle kanten opwaaide. Op de stenen verbinding gekomen stond hij even bedachtzaam met zijn ogen op het wegdek gericht. Hij voelde hoe de sterk aangezwollen rivier langs de pijlers stroomde en liep weer terug.
'Wat spook je daar toch allemaal uit?' riep Plombier.
'De boedel moet van de wagen af,' antwoordde hij amper verstaanbaar door de harde wind.
'Ben je gek geworden of zo?' Michel klom op de bok en verklaarde zich nader.
'De brug staat op instorten!'
'Idioot, er rijden hier al jaren wagens over,' zei ze geïrriteerd. De student sprong uit protest van de wagen af en ging met de armen over elkaar in de modder zitten. Na kort beraad gehoorzaamde ze maar.
'Goed, als jij al het werk doet,' eiste ze, waarop de jongeman alvast de koffers naar de overkant begon te sleuren. Moeder haalde intussen haar kinderen onder het zeil vandaan en omklemd liepen ze hun eigenaardige reisgenoot achterna. Aan de andere kant van de rivier zocht het gezinnetje beschutting bij een rots, terwijl Michel naar paard en wagen terugging. Toen hij na veel geploeter het huisraad had overgebracht, bond hij een lang touw aan het paard en liep ermee naar de brug. Boven hen dreven dreigende wolken langs en het paard weigerde vooralsnog mee te komen. Michel spoorde het met ferme rukbewegingen aan. Aarzelend stapte het angstige paard naar voren en de wagen kwam geleidelijk in beweging. De eeuwenoude verbinding werd betreden en behoedzaam leidde de student het paard met de wagen over de brug, die er solide uitzag en geen enkel gebrek vertoonde. Na de probleemloze oversteek trok mevrouw een zuur gezicht en ze sprak geen woord meer tegen hem. Nadat de wagen weer was volgeladen, werd de reis voortgezet. Daar was ten slotte de grote stad. Ze bereikten haar nog juist voor zonsondergang en niet veel later zaten ze warm en veilig thuis bij het knetterende haardvuur van de familie Plombier. Na een goede maaltijd en nachtrust zouden hun wegen scheiden. De jongeling bedankte voor de gastvrijheid en met zijn spullen liep hij in de richting van de universiteit. In het centrum kondigde een gemeenteambtenaar heet nieuws aan en de student schaarde zich onder het toestromende publiek. Theatraal rolde de omroeper er een perkament uit.
'De brug van Avignon is ingestort,' hief hij met luide stem aan. 'Zeven mensen vonden vannacht de dood. De brug werd al een keer in 1226 verwoest. Gij ziet, de brug wordt niet door onze Heer gewenst. Onze bruggenbouwer Bénézet van weleer is ten onrechte heilig verklaard.' Het stond nu zwart van de mensen en velen belemmerden Michels zicht, maar hij wist genoeg en kuierde verder.

Er hing een harde sfeer in Avignon, die haar geschiedenis hoog op de rots bij de rivier begon. De stad, ooit het centrum van een Keltische stam, haatte bezoekers. Zijn grootvader had het vroeger al over de genadeloosheid van de Avignois. 'In Parijs maken ze ruzie, in Avignon steken ze je overhoop,' had hij gezegd. Avignon lag aan de bekende Via Agrippa, de belangrijke verkeersader tussen Keulen, Lyon en Arles. In het Parc des Papes nam Michel voor de nodige verstilling op een bankje plaats. Hij concentreerde zich op de oude eiken voor de universiteit, alvorens hij er de doop zou ondergaan. De feut droomde de laatste tijd erg veel en wist soms zijn dromen niet meer van het echte leven te onderscheiden. Hij zou een techniek moeten vinden om daar duidelijkheid in te scheppen. Wellicht dat zijn studie astrologie hem de nodige hulpmiddelen zou kunnen aanreiken. Na het navelstaren maakte hij kennis met zijn leraren en op hun advies betrok hij een kamertje in de Rue St-Agricol, een straatje niet ver weg.
Sindsdien wandelde hij iedere morgen door de binnenstad naar het schoolgebouw. Vanaf de Rocher des Doms had hij de stad goed in kaart weten te brengen. De Rocher des Doms was de rots die hoog boven alles uitstak en vanwaar de stad makkelijk te verkennen was. Michel slenterde gewoonlijk liever langs de grote boulevards, omdat hij daar zijn studies beter kon overpeinzen. Met een aantal studenten kon hij het goed vinden, ofschoon de meeste al snel jaloers waren op de bolleboos. Op de esoterische school vergaarde hij de eerste maanden nuttige kennis. Zo vernam hij dat de mens verschillende lichamen bezit, zeven in totaal: het fysieke, vitale, astrale en mentale lichaam en, op hoger niveau, het causale, buddhi en atma-lichaam. Er werd hem verteld dat deze zeven schedes bewustzijnslagen voorstellen en dat de planeten en sterren er eveneens uit zijn opgebouwd. Al deze lichamen staan in verbinding met elkaar en zijn bij ieder mens op z'n minst sluimerend aanwezig. Het zichtbare stoffelijke lichaam is van de meest grove soort. Het vitale lichaam houdt de stof bij elkaar en zorgt voor de nodige energie. Het astrale korps is verbonden met de emoties en openbaart zich vooral in de droomwereld. Het mentale lichaam staat voor het denken en het causale korps ontwikkelt zich pas als het denken volledig is doorgrond naar oorzaak en gevolg. Men spreekt van buddhi wanneer de mens daadwerkelijk ontwaakt, en atma staat voor de adem des levens, een toestand die men bereikt als men één wordt met het Al en het individuele aspect verdwenen is. Het was een spannende theorie maar praktijkvoorbeelden bleven uit.
Op een dag begaf de ijverige eerstejaars zich rond vijf uur 's morgens op de Place de l'Horloge om oefeningen te doen. Het plein was dan nog maagdelijk schoon en niemand liep hem in de weg. Na zijn oefeningen afgewerkt te hebben, wandelde hij goedgeluimd door de straten en geraakte buiten de stadsmuur, toen verscheidene rijtuigen met gardisten verrassend kwamen aanrijden. Er vond een geheimzinnige tussenstop plaats, want naarstig begonnen enkele kerels de uitgebluste paarden voor verse te verwisselen. Bovendien zat er in een van de geparkeerde rijtuigen een klein, dik mannetje vol eretekens, die tussen twee stevige bewakers zat ingeklemd.
Die moet iets op zijn kerfstok hebben, begreep de student. Het konvooi was duidelijk zo vroeg gearriveerd om geen last te krijgen van pottenkijkers. Het wisselen van de paarden en het inslaan van proviand namen enige tijd in beslag. Ondertussen keek Michel geboeid naar de arrestant, die een uitstraling had als die van een keizer. De man moest last hebben van grootheidswaanzin. Toen sloeg de vlam in de pan. Hordes Avignois stormden vanuit de Porte St-Lazare op de rijtuigen af en wilden wraak nemen op 'De kleine korporaal van Corsica.' De stadswacht probeerde het oproer nog te beteugelen, maar de woedende burgers waren niet te stuiten en omsingelden het middelste voertuig. Daar werd de beladen gevangene de huid vol gescholden. Andere opstandelingen gooiden weer stenen naar hem of zwaaiden dreigend met hun sabels. Een paar lieden sprongen even later op de koets, klommen naar binnen en scheurden zijn decoraties van eer af. Een ijlings aangereden officier wist de verhitte gemoederen te kalmeren, waarna de laatste paarden met grote haast werden voorgespannen. Het belaagde rijtuig met 'De kleine korporaal' wist te ontsnappen, nadat een gardist nog enkele fanatiekelingen van de wielen had weten af te trekken. De overige rijtuigen waren met rust gelaten en konden onbelemmerd hun reis vervolgen. De sprakeloze student peinsde na afloop wat na over de schokkende gebeurtenis.
'Hé, klootzak, sta je hier wortel te schieten of zo?' vloekte een werkman opeens.
'Heb je dat opstootje dan niet gezien?' vroeg Michel.
'Ik zie alleen een vreemdeling en daar houden wij hier niet van,' en hij rolde zijn ton verder. Het was de mores van Avignon. En de ongeregeldheden*(1814 de onttroonde keizer Napoleon bijna gestenigd in Avignon)..., die bleken niet meer dan een hallucinatie te zijn.

Na het eerste trimester waren de leraren een en al lof over jongeheer De Nostredame. Leuk en aardig, maar de begaafde leerling stak van hen bijkans niets meer op. Zijn grootvader had hem al zoveel over sterrenkunde bijgebracht en zijn docenten bleken daar moeilijk aan te kunnen tippen. De teleurgestelde Michel verwachtte dan ook niet veel van hen meer bij te leren. Gelukkig was er een prachtige bibliotheek met drie houten verdiepingen, de mooiste die hij zich maar kon voorstellen. Daar hing hij graag rond en hij ploos er eeuwenoude geschriften na. De leraren stimuleerden het genie tot aanverwante terreinen. Ze gaven mijnheer Grimbert, de bibliothecaris die door ziekte steeds moest bibberen, opdracht een lijst met boeken te verzamelen en deze voor de student opzij te zetten. Grimbert had het leesvoer in een afgescheiden gedeelte gezet, waar de jongeman in alle rust zijn gang kon gaan. Michel verslond de stapel geschriften in korte tijd. Naast enkele werken van opa was de Bijbel het enige boek dat hij grondig gelezen had, en verandering van spijs was van harte welkom. Er was uiteindelijk maar één manuscript dat hem echt aansprak en dat was de verhandeling over alchemie. Het leek een cliché, maar wie dacht er bij alchemie nou níet aan een donker laboratorium waar een oude, bebaarde tovenaar de vreemdste capriolen uithaalde. Het boek weersprak zijn vooroordeel en hij wilde zich er verder in verdiepen. In het bewuste werk stond dat alchemie na de kruistochten door de Arabieren in Spanje was geïntroduceerd, en derhalve doorvorste hij dagenlang de Spaanstalige afdeling. Tijdens zijn zoektocht vond hij een opvallend artikel van ene Artephius uit de twaalfde eeuw met de titel: De kunst van het verlengen van het menselijk leven. Het Spaanse artikel was in het Latijn geschreven, waarin hij was onderlegd. Nieuwsgierig begon hij te lezen.
'Ik, Artephius, heb alle kunsten in 't magische boek van Hermes geleerd. Gedurende mijn lange leven heb ik lieden gezien die de alchemie wilden perfectioneren. Ikzelf wil echter niets opschrijven dat de wetten voor een breder publiek duidelijker maakt, omdat het enkel door God of door een meester geopenbaard kan worden. Het heeft dan ook alleen zin om mijn boek te lezen indien men over een ruime kennis en een vrije geest beschikt. Was eenmaal als anderen: jaloers. Ik leef nu zo'n duizend jaar en uiteindelijk bij de gratie van God alleen.'
Die man is zo oud als Methusalem! wond Michel zich op. Hij moest en zou die twee boeken lezen en onverdroten zocht hij wekenlang in de ontelbare manuscripten, maar hij vond ze niet.
Waarschijnlijk bestaat dat van Hermes niet eens, bedacht hij en hij behielp zich maar met de aanwezige alchemistische lectuur. In een van de werken las hij dat metaal in goud veranderd kon worden en wel met behulp van een mystiek voorwerp, de zogenaamde 'Steen der Wijzen.' Eeuwenlang werd er naar de steen gezocht, maar deze werd nooit gevonden en in de dertiende eeuw gaven de meeste alchemisten er de brui aan. Een ander geschrift vertelde dat alchemie een medische werking kon hebben. Indien men zout, zwavel en kwik in de juiste proporties aan het lichaam toevoegde, zou dat de gezondheid ten goede komen. De Griekse filosofen Thales en Aristoteles geloofden dat aarde, water, lucht en vuur de basiselementen waren waarmee alle materie kon worden opgebouwd. Een andere verhandeling sprak over een vijfde basiselement: het wezenlijke.
Maar nu had hij wel genoeg gelezen. Het was al laat en hij ruimde zijn boeken op.
'Bedankt voor uw hulp en tot morgen, mijnheer Grimbert.' De dag was andermaal voorbij gevlogen en de vermoeide student ging weer naar zijn sobere kamer in de Rue St-Agricol. Na een warme brij gekookt en gegeten te hebben, mediteerde hij zonder resultaat op het boek van Hermes en probeerde toen 'De steen der wijzen' uit, maar viel onverhoeds in slaap. Die nacht werd zijn verlangen beantwoord. De zoekende ziel werd aangeraakt door iets groots en machtigs en een siddering bracht zijn lichaam recht overeind in bed.
'Michel de Nostredame, ik ben degene die je zoekt, Hermes, de zoon van Zeus en Maia, de dochter van Atlas, een van de Titanen.' Vlak voor hem zat een stralend, krachtig, atletisch wezen met een gevleugelde hoed op en in zijn hand hield hij een gouden staf met slangen. Hermes sprak verder.
'Ik ben de leider van de drie werelden, geboren in een grot te Arcadië. Ik ben de snelste der goden en de god der dieven. De Egyptenaren noemen me Toth. De Romeinen noemen me Mercurius. Ik ben Hermes Trismegistus uit Genesis. Ik ben 'De hoop der stenen,' 'De steen der wijzen' en 'Het smaragden tablet'. Mijn stoffelijke broeder, je lot staat vast. Je zal een rol spelen in het kosmisch drama dat zich de komende millennia op aarde zal afspelen. Maar voorlopig zul je, voordat de Maan volwassen is, een andere richting inslaan om je slapende kennis te laten ontwaken door de zwarte dood.' Hermes verzwond even rap als hij gekomen was en liet een enorme leegte achter. Michel kon de krachtige, bovennatuurlijke confrontatie niet aan, hij bezweek en ontwaakte pas laat in de voormiddag. Gebroken stond hij op en waggelend pakte hij zijn schooltas om zich van zijn studietaak te kwijten. Maar het was veel te laat om naar de universiteit toe te gaan en verward ging hij weer op bed zitten.
'Wat voel ik me beroerd,' steunde hij. En met hoofdbrekens reconstrueerde hij de boodschap van Hermes, maar hij kon het niet allemaal vatten. Ondertussen piekerde zijn vader - door hogerhand aangestuurd - in Saint Rémy over de weinig praktische opleiding van zijn zoon. Al was astrologie tegenwoordig een erkende wetenschap, veel kon je er niet mee verrichten. Hij besprak het met Reynière, die in eerste instantie achter Michels keuze bleef staan. Maar Jacques bleef op het slechte toekomstperspectief hameren en uiteindelijk vond ook zij de nadelen zwaarder wegen dan de voordelen. Ze schreven zoonlief een brief, waarin ze hun zorgen uitten en hem een studie medicijnen voorlegden; zijn beide grootvaders waren immers ook arts geweest. Een dag later ontving Michel het schrijven van zijn ouders en las hun voorstel om van studie te veranderen. Hij was aangenaam verrast en dacht aan Hermes, die over een andere richting sprak.
Geneeskunde is dus mijn lotsbestemming, concludeerde hij. De volgende dag benaderde hij zijn leraren met fluwelen handschoenen, omdat hij ze niet in diskrediet wilde brengen. Tijdens het afscheidsgesprek bleek dat ze begrip hadden voor de argumenten van zijn ouders en op goede voet beëindigde hij zijn studie in Avignon.

Na een kort verblijf bij zijn familie vertrok hij naar de volgende universiteit in Montpellier.
'Welkom, mijnheer De Nostredame,' begroette een huisbewaarster hem alleraardigst toen hij binnenkwam. 'Ik zal u meteen naar de collegezaal brengen, want u bent de laatste,' en de zwaarlijvige dame kwam moeizaam van haar krukje af en liep hem voor. Ze begaven zich door de hoofdgang en sloegen aan het einde de hoek om.
'Het college vangt zo aan en zal gegeven worden door doctor Hache,' lichtte ze hem verder in. De dame bracht hem naar de achterste zaal, waar ze hem een plaats wees aan een tafel naast een jongeman met enorm beweeglijke ogen. Professor Hache nam, anders dan de conciërge, niet de moeite om de vijftig nieuwelingen te verwelkomen en begon zonder respijt met de les.
'Duizenden jaren geleden beoogden de eerste dokters patiënten te genezen door een gaatje in hun hoofd te boren,' vertelde hij. François, Michels tafelgenoot, tikte daarop laatdunkend met de wijsvinger op het voorhoofd.
'Exact, daar komt dat gebaar vandaan,' zei Hache, die het zag, 'maar zo getikt was dat niet, want op deze manier wilde men kwade geesten, volgens hen de oorzaak van de ziekte, uit het lichaam laten ontsnappen. Men noemde dit ook wel schedel lichten of trepaneren.' Een leerling uit Toulouse stak zijn hand op.
'Aan het einde van mijn verhaal kunnen er vragen gesteld worden,' gaf de professor aan. 'Later, in de Griekse oudheid, ging een ziek persoon naar een tempel en offerde er dieren aan Aesculapius, de god van de genezing. Nadien dronk de zieke mens geneeskrachtig water, baadde zich erin en volgde een streng dieet.' Weer stak dezelfde student zijn hand op.
'Ik had je toch iets gezegd of niet soms?' zei de leraar.
'Ik probeer alleen een kwade geest uit mijn arm te laten ontsnappen,' verduidelijkte de jongen, die ook geestig dacht te zijn.
'Ga er maar uit!' zei Hache onverwacht streng. De leerling stond beteuterd op en verliet het lokaal.
'Stomme grappen worden hier niet getolereerd,' en de professor vervolgde zijn toespraak. 'In vierhonderd voor Christus legt de Griekse arts Hippocrates de grondslag voor onze wetenschappelijke geneeskunde. Hij zegt dat ziekte niet door tovenarij maar door de natuur veroorzaakt wordt, en alleen door haar weer genezen kan worden.' Zijn pupillen zaten nu strak in het gelid en niemand durfde nog een kik te geven.
'Rond tweehonderd na Christus leert Galenus ons, ook een Griekse arts, dat het lichaam vier vloeistoffen bevat: bloed, slijm, gele en zwarte gal, die in een juiste balans met elkaar dienen te zijn. Tot zover deze inleidende geschiedenis. Er kunnen nu kort vragen gesteld worden.' De studenten aarzelden even.
'Hebben vrouwen evenveel bloed, slijm en gal als mannen?' vroeg iemand.
'Dat weten we niet precies, maar als deze vloeistoffen niet in balans met elkaar zijn, worden zowel mannen als vrouwen ziek,' antwoordde hij.
'Mijn moeder spuit anders flink wat gal,' merkte een Bask op.
'Ze is vast en zeker ziek,' veronderstelde Hache.
'Nou, eigenlijk niet, ze is zo gezond als een vis.'
'Enfin, ik kan op afstand geen diagnose stellen. Gelukkig zijn we momenteel veel verder dan Galanus en maken we wetenschappelijke studies door onder andere menselijke lichamen open te snijden. Dus mocht je moeder in de buurt zijn...' De Bask werd wat bleek rond de neus door het serieus klinkende voorstel van zijn leraar.
'Bedoelt u dat u ook in levende mensen snijdt?' vroeg hij.
'Zeker, maar dat komt zelden voor. We bestuderen voornamelijk lijken en maken er gedetailleerde tekeningen van. Door deze studies hebben we al talloze inzichten verworven en kunnen veel van de hedendaagse ziektes genezen worden.'
'Wat voor methodes zijn er tegenwoordig om ziektes te behandelen?' vroeg Michel nu.
'Bijvoorbeeld met medicijnen, die in drankjes, poeders of tabletten verwerkt zijn,' antwoordde de docent. 'Helaas zijn er veel kwakzalvers, kruidengenezers en heksen die zich voordoen als apotheker. Ook een zeer nuttige methode is het aderlaten, waardoor het zieke bloed uit het lichaam kan ontsnappen, mijn specialiteit.' Het vragenuurtje liep ten einde en er volgde een middagpauze. Daarna gaf Hache ononderbroken les tot zonsondergang. In de avond verlieten Michel en zijn klasgenoten het universiteitsgebouw, na een goedkope maaltijd in de mensa, om naar huis toe te gaan.
'Zin om door de stad te lopen?' riep iemand die hem bij de Notre-Dame-des-Tableskerk inhaalde. Het was François Rabelais, de student met de levendige ogen, die naast hem in de klas zat. Michel vond het een goed idee en ze maakten een wandeling door de stad en raakten al snel bevriend. François bleek een geniale verteller te zijn en had 't hart op de tong. Overal waar ze langsliepen noemde hij alles bij naam en wel op een zo onverbloemde en ongebruikelijke wijze dat velen er rode oortjes van zouden krijgen. De rebel durfde werkelijk over alles te praten: over ketterse zaken, pijnlijke emoties of lichaamsdelen waarover men liever zweeg. En als Michel er naar zijn smaak iets te serieus op inging, gedroeg hij zich ineens als een klein kind of werd verrassend obsceen. François was van zijn kant diep onder de indruk van Michels enorme kennis. De student uit Saint Rémy leek wel een wandelende encyclopedie. De twee vulden elkaar goed aan en spoedig deelden ze elkaars geheimen. In een kroeg vertelde Michel over zijn joodse achtergrond, zijn opleiding door grootvader en de afgebroken studie in Avignon.
'Dan zitten we in hetzelfde schuitje,' zei François.
'Welk schuitje?' vroeg zijn klasgenoot verbaasd.
'Nou, joden en katharen worden als bedreiging voor het katholieke geloof gezien. Jij bent een jood en ik een kathaar.'
'Hoe kun jij nou een kathaar zijn? Katharen waren de laatste gnostici.'
'Mijnheer zal het niet weten,' grinnikte François. 'Wij als ware christenen belijden ons geloof natuurlijk niet meer in het openbaar maar ondergronds. In Montpellier zijn zelfs veel geloofsgenoten te vinden. Mijn vader voert verderop een etenszaakje, waar af en toe bijeenkomsten zijn, in het geheim natuurlijk. Ik zal je een keer meenemen als je wilt.'
'Interessant, ik ben benieuwd wat jullie prediken. Gnostici hadden altijd een zeer gefundeerd weerwoord door hun grondige studie van onder meer de Latijnse bijbel.'
'Zeker, en daarom haten die katholieke leiders ons ook allemaal,' voegde de kathaar toe.
'Is dat de enige reden dat jullie geloof verboden is?'
'Nee, wij zijn individualisten en onze heilige boeken zijn rechtstreeks uit het evangelie vertaald. Het fundament van de Kerk berust daarentegen op macht en hun boodschap is de erfzonde.'
'Ach, pausen, bisschoppen en priesters zetten de Bijbel vaak naar eigen hand, maar in principe zitten we allemaal op één lijn,' vond Michel. Rabelais trok zijn bevindingen in twijfel.
'Wij hebben eigen wetten en geloven niet dat een enkel wezen al het goede en kwade heeft geschapen, zoals de katholieken dat doen. Bovendien zijn we voor individuele vrijheid, gelijkheid van de vrouw en tegen elke vorm van geweld. Zij niet!'
'Ik ging van de oorspronkelijke, Griekse bijbel uit,' verduidelijkte Michel. 'Daarin worden dergelijke standpunten niet weerlegd.'
'Hm, kan zijn, zo geleerd als jij ben ik niet.'

Na de propedeuse aan de medische universiteit gingen de twee kameraden moeiteloos verder naar het volgende jaar. De klas was inmiddels gekrompen tot dertig leerlingen en vandaag zouden ze hun eerste practicum meemaken. Professor Hache stond op zijn verhoging te wachten en wreef zich al van plezier in de handen.
'Mijne heren studenten, we beginnen het tweede jaar altijd met een praktijkvoorbeeld aderlating. Deze zal door mij persoonlijk worden uitgevoerd op een ongeneeslijk ziek verklaard persoon. Wees gerust, er is geen zwarte dood in het spel.'
'Wat is de zwarte dood?' vroeg Michel op scherp.
'Dat is een bijnaam voor de pest, mijn beste, maar onderbreek me niet meer. Verder hoop ik voor u allen dat u straks niet van uw stokje gaat, want meestal is het een bloederig gezicht. Ik ben er gewend aan geraakt.' Zijn medewerkers droegen een ernstig vergeelde vrouw binnen, die op een stoeltje zat vastgebonden; ze was te zwak om overeind te blijven. De patiënt wist ook niet meer recht voor zich uit te kijken en haar ogen dwaalden alle kanten op. Voorts had ze weinig haar over en ze stootte onbeheerste klanken uit. Het was een schrijnend geval en er ontstond rumoer in de zaal.
'Ik begrijp dat u medelijden hebt en dat u mij wellicht wat hardvochtig vindt,' zei de professor, 'maar dit experiment dient de wetenschap en het doel heiligt de middelen. Tevens verzeker ik u dat deze dame enige financiële vergoeding krijgt.' De bullebak schoof tot dicht bij het proefkonijn en pakte de draad weer op.
'Er zijn twee manieren van aderlaten. De eerste is het maken van een snee in een ader,' en met een stokje wees hij een geschikte plek op een onderarm van de zieke. 'De tweede manier is het plaatsen van bloedzuigers.' Hij haalde daarop een aantal glazen potjes uit zijn zakken en toonde diverse exemplaren.
'Ik zal vandaag alleen de eerste voordoen, deze beestjes zijn bovendien verzadigd. Bij de eerste variant dient de patiënt een stok in zijn vuist gekneld te houden. Hierdoor zwellen de aderen en verloopt de aderlating vlotter. Helaas is mevrouw hier te zwak voor en moeten we de koppen dieper zetten,' en intussen haalde hij de kopsnepper uit zijn instrumentenkist.
'Zijn er misschien vrijwilligers om dit samen met mij uit te proberen?' vroeg hij. Niemand durfde ja te zeggen en hij wees daarom iemand aan.
'Mijnheer De Nostredame, wilt u dan zo vriendelijk zijn?' Zijn leerling stond gehoorzaam op en liep naar hem toe.
'Maakt u hier maar een kerf in de lengte,' gebood zijn docent, die het instrument met mesjes aan hem gaf.
'Moet ik niet eerst mijn handen wassen?' vroeg Michel.
'Handen wassen. Waarvoor? Als u 't niet durft, doe ik het zelf wel, hoor.'
'Meester,' viel François hem stoutmoedig in de rede, 'wat mijn studiegenoot bedoelt is dat als de monnik, die van de vadsige soort, het land niet bewerkt, de boer het land niet bewaakt. Als dokter bepreekt of leraart hij de mensen niet, zo de krijgsman geneest de zieken niet. Begrijpt u?' Hache begreep er niets van.
'Eh, vanzelfsprekend,' jokte hij en venijnig maakte hij toen zelf een diepe inkeping in de onderarm. Als verwacht stroomde er weinig bloed uit dat hij handig in een glazen pot opving. Michel liet hem maar betijen en keerde naar zijn plek terug. Na het stelpen van de wond diende de vrouw nog als overzicht van de slagaders, die altijd gemeden moesten worden. Daarna werd ze afgevoerd. Tijdens de afsluiting van het practicum keek de professor voldaan in het rond en vroeg of er bij zijn leerlingen nog speculaties over de toekomstige geneeskunde leefden. Michel stak als eerste zijn hand op.
'Ah, de leergierige maar bange student, zeg het maar,' treiterde Hache.
'Ik zie de mens nog eens lichaamsdelen herbruiken,' opperde zijn leerling.
'Ik dacht dat u serieus was ingesteld.'
'Dat ben ik ook.'
'Blijkbaar niet,' ontkende de leraar.
'Ik probeer het toch echt te zijn,' hield Michel vol.
'Op niet beargumenteerde onzinverhalen zit niemand te wachten.'
'Ik kan het uiteraard niet onderbouwen, meester, maar u vroeg toch om speculaties?'
'Zo is het wel genoeg. Laat uw lariekoek voortaan voor buiten de les,' reageerde de leraar beledigd. Na schooltijd vroeg Michel aan François wat hij nou eigenlijk wilde zeggen met die monnik van de vadsige soort.
'Ach, niks bijzonders, ik wilde alleen het denkvermogen van die griezel uittesten,' zei hij onverschillig.
'Jemig, wat kun jij gemeen zijn, zeg!'
'Jazeker,' schaterde Rabelais zonder blikken of blozen, en op weg naar huis bespraken ze nog het nut van hygiëne.

Op een avond zaten de twee vrienden in het eetzaakje van François' vader, die hun op een portie mosselen trakteerde. De zaak liep onderhand vol geloofsgenoten en er werd innig met elkaar gekwebbeld. Straks zou er een gebed in het zaaltje achter plaatsvinden waaraan de joodse student mocht deelnemen. François verklapte intussen dat hij bezig was met het vertalen van Italiaanse, geneeskundige brieven.
'Ambitieus, hoor,' zei Michel.
'En dat is nog niet alles. Ik ben ook bezig met mijn debuutroman: 'Les Horribles et Espouvantables Faicts et Prouesses du très renommé Pantagruel'.'
'Een indrukwekkende titel. Misschien een beetje te lang,' vond zijn vriend.
'Dan noem ik het gewoon Pantagruel. Maar nu iets heel anders. Ben jij iemand die zichzelf bevredigt?'
'Pardon?'
'Masturbeer jij?' De Nostredame keek schielijk om zich heen of iemand meeluisterde.
'Nu ga je echt te ver, François. Dat gaat je geen donder aan,' zei hij toen.
'Hé, ik wilde je alleen voorbereiden op de mystieke lessen die je zo te horen krijgt.'
'Waar heb je het nou weer over?' vroeg Michel confuus.
'Wel, er wordt zo dadelijk niet alleen gebeden maar ook gnosis of heilige kennis overgebracht en ditmaal gaat het over seksualiteit.' Ze werden onderbroken door gestommel van het gemengde publiek dat zich naar achteren begaf. Het was kennelijk tijd voor de samenkomst en de twee jongemannen volgden naar het besloten zaaltje, waar iedereen op dikke kleden plaatsnam. Na een kort gebed stond een vrijwilliger op om de lezing te houden en haalde een aantal paperassen tevoorschijn.
'Vanavond spreek ik over de Bekers van Hermes,' verkondigde hij.
Nondedju, zei Michel in zichzelf, de zoon van Zeus en Maia, boodschapper van de goden. De man toonde ter verduidelijking een mystieke afbeelding van het menselijk lichaam. In het hoofd waren symbolisch twee overlopende bekers getekend en vanaf het heiligbeen wentelde een paar slangen om de ruggengraat omhoog tot aan twee geopende vleugels op harthoogte.
'Zoals iedereen weet, leren de oude geschriften ons om voorzichtig met seksuele krachten om te gaan. Maar waarom wordt kuis gedrag ons nu al eeuwenlang als het goede voorgehouden? Het antwoord is anders dan de Kerk ons voorspiegelt. Gaat heen en vermenigvuldigt u, predikt deze. Bij de nakomelingen wint men vervolgens makkelijk zieltjes. Belust op macht hebben de kerkelijke leiders het evangelie verduisterd en verdraaid om de werkelijke reden geheim te houden. De oude geschriften spreken namelijk alleen over 'Laat geen zaad verloren gaan.' Oftewel, laat het nimmer verloren gaan, ook niet tijdens de liefdesdaad.' Michel keek François verwonderd aan. Hier doelde die snuiter dus op.
'Het heilige doel van gnosis is verlichting van het individu,' zette de mysticus voort. 'Met andere woorden: het thuiskomen van de ziel in de goddelijke bron. Deze tekening stelt de seksuele transmutatie voor van het Ens Seminis*(het menselijk sperma). Deze delicate kennis wordt alleen gedoceerd aan mystieke inwijdingsscholen, zoals die in Montpellier. De farao's van het oude Egypte werden er onder meer in onderricht. De techniek vereist een uiterste beheersing van de seksuele krachten tijdens het liefdesspel tussen man en vrouw. Vooal die van de man. Door het inhouden van het zaad tijdens de samensmelting van de zielen, kan er een goddelijke vonk ontstaan, die te vergelijken is met een feitelijke ontsteking. In het Latijn 'ignatius,' waar het woord gnosis weer van afgeleid is. De vonk ontstaat door inductie tussen de mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen en veroorzaakt een bovennatuurlijke kracht, die langs de wervels omhoog trekt. Vandaar de twee wentelende slangen. Via deze banen geraakt de wedergeboren energie tot bovenaan de zogenoemde Mercuriusstaf en opent daar de vleugels van de geest. De energie, of kundalini, kan verder stijgen en wel naar de Bekers van Hermes, maar dat kan alleen als er sprake is van echte liefde. Is die aanwezig, dan worden de bekers geleidelijk gevuld. Als die vol zijn, stromen ze over en vloeit de energie voorlangs omlaag naar het hart. Na zevenmaal herhaling van dit proces is de mens volledig ontwikkeld.' De man stopte de tekening weer weg.
'Dan vraag ik u allen nu op te staan.' De gelovigen kwamen op de been en vingen aan met het reciteren van formulegebeden. François zong met volle overtuiging mee. Nadat er uiteindelijk vijftien geloofsmysteries overwogen waren, werd de dienst afgesloten en schonk men voor iedereen thee in. Aan het eind van de avond evalueerden de twee studenten de stof in het inmiddels verlaten zaaltje.
'Ik dacht dat je vlak voor de dienst weer in obsceniteit was vervallen,' excuseerde Michel zich, 'maar ik ben met mijn neus in de boter gevallen.'
'Ik wist wel dat je het interessant zou vinden,' zei François daarop.
'Dat is het zeker, maar het leven gaat zo wel op een straf lijken.'
'De vruchten kunnen nog tijdens het leven geplukt worden, en als je deze techniek goed toepast, kun je bijzondere vermogens verwerven. De natuur zal naar je luisteren.'
'Kan ik dan met een paard praten?' vroeg de invité frivool.
'Bijvoorbeeld.'
'Meen je dat nou of speel je weer een spelletje?'
'Nee serieus, de Rode Zee ging toch ook voor Mozes open,' gaf Rabelais aan.
'Dan moet iedereen die techniek maar snel toepassen.'
'Beter van niet, bijna niemand is zuiver genoeg en met slechte bedoelingen kun je veel schade berokkenen. Dat zijn de Broeders van de Schaduw. Pas ervoor op!' Michel liet het allemaal even bezinken.
'Komen er dan nog wel kinderen bij de beoefenaars van deze techniek?' vroeg hij toen.
'Die worden nog altijd door de ooievaar gebracht.'
'Daar zijn die stomme grappen en grollen weer,' reageerde Michel met een lang gezicht, en hij maakte aanstalten om weg te gaan.
'Sorry hoor, ik zal je vraag serieus beantwoorden. De gewone stervelingen krijgen nog genoeg baby's om onze populatie in stand te houden. Bovendien worden er bij de ingewijden met regelmaat kinderen geboren, die zeer ontwikkeld zijn.'
'Ik neem aan dat het overstijgen van de lust hieraan ten grondslag ligt,' nam zijn gast aan.
'Inderdaad, eens heeft Eva van de verboden vrucht gegeten en sindsdien is de mens uit het paradijs verstoten. Nu moeten wij bergen werk verzetten om haar misstap recht te zetten.'
'Verboden vrucht?'
'De verboden vrucht staat symbool voor het mannelijke zaad,' verklaarde François, die een laatste kop thee nam
. 'Maar frummel jij nu aan jezelf of niet?' Zijn maat schudde melancholiek het hoofd en liep tureluurs het zaaltje uit. Onverbeterlijk, die Rabelais!

Na enkele jaren hard blokken kreeg Michel toestemming om zich als arts te vestigen. Zijn studie was nog niet afgerond, maar hij wilde beslist nu al de pestslachtoffers op het platteland bijstaan. In het achterhoofd hield hij natuurlijk de gedachte dat de zwarte dood zijn sluimerende inzichten zou ontwaken, aldus de boodschap van Hermes. De negentienjarige arts vertelde François over zijn voornemen, die dat betreurde, maar voor zijn vriend pleitte hij dat hij klaar was voor het echte werk.
'En hoe ga je jezelf noemen?' vroeg François .
'Gewoon, dokter De Nostredame.'
'Je weet toch wel dat wetenschappers hun naam met een Latijnse uitgang verfraaien, hè?'
'Jawel, maar...' aarzelde Michel, bang voor ijdeltuiterij.
'Indruk maken is ook belangrijk, hoor. Wat vind je van Nostradamus?'
'Klinkt goed!' lachte zijn metgezel, die het zich liet welgevallen. Enkele dagen later namen de twee afscheid van elkaar en ze beloofden contact te houden.
Michel keerde naar zijn ouders terug om vanuit Saint Rémy zijn kennis in de omstreken aan te bieden. Die waren maar wat blij met de thuiskomst van hun zoon en vader bood hem spontaan de voormalige zolder van opa aan.
'Moet je dat niet eerst met Julien bespreken,' waarschuwde Reynière haar man.
'Julien studeert alleen boven en Michel gaat geld in het laatje brengen,' zei hij terug.
'Je loopt zowel over de jongen heen,' laakte ze.
'Goed, ik zal vragen wat hij ervan vindt.' Julien, die op zolder rechten studeerde, bleek geen probleem te hebben om plaats te maken voor zijn oudste broer en verkaste met zijn boeken naar zijn vroegere kamertje. De aanwezigheid van zijn geleerde broer kwam hem zelfs goed uit, want die kon hem nu helpen teksten te vertalen. Eind goed al goed. Michel vond het fijn zijn familie terug te zien; het laatste bezoek dateerde alweer van een jaar geleden, en met verruimde geest sloeg hij de familiare ontwikkelingen gade. Zijn broertjes waren inmiddels uit de kluiten gewassen en stonden op het punt de wijde wereld in te trekken. Zo wilde Bertrand timmerman worden. Het meeste houtwerk in huis was van zijn hand. In ieder geval wilde hij beslist geen notaris worden zoals vader, want die had een misvormd hoofd van de vele hoofdarbeid, beweerde hij. Vader had inderdaad een merkwaardig voorhoofd: het was plat, hoog en stak ver vooruit. Opvallend mooi daarentegen waren zijn schone, slanke handen. Voorts was Jacques wat stijfjes en hij overwoog alles tot in de puntjes. Zijn vrouw leefde meer vanuit de intuïtie. Michel zag nu pas hoezeer zijn moeder een aantrekkelijke vrouw was. Ze had een prachtig figuur, mooie warme ogen en lang, glanzend bruin haar, dat meestal opgestoken zat. Jammer dat ze met vreemdelingen iets te goed van vertrouwen was; een paar keer was er in haar bijzijn geld ontvreemd. Vader had wat dat betreft een gezond portie wantrouwen. Zijn ouders vulden elkaar dus prachtig aan. De andere broers, Hector en Antoine, wisten nog niet wat ze gingen doen.
'Ik weet het wel: ik ga matze bakken,' reageerde Reynière luchtig op alle gewichtige toekomstplannen. 'Wil je me helpen, Michel? Dan kun je me in de tussentijd vertellen wat je allemaal in Montpellier hebt meegemaakt,' en de jonge arts ging gewillig mee. In de keuken pakten ze het meel en mengden het met water aan.
'Vertel op,' gelastte ze en haar zoon begon over zijn studietijd te praten.
'Oeps, ik moet de oven in de achtertuin nog heet stoken,' onderbrak ze hem. 'Begin jij maar vast te kneden, ik kom zo.' Onder het roet kwam ze even later terug en Michel vervolgde zijn relaas alsof er niets aan de hand was. Vele studieverhalen later geurde het ongerezen brood door het hele huis. Vader sneed de knapperige matze op de eettafel aan en zo vierden ze de thuiskomst van hun succesvolle zoon.
'Zou jij een zieke kennis van me willen onderzoeken?' vroeg Jacques nadien.
'Dat is toch de taak van de stadschirurgijn,' meende Michel.
'Wel, ik heb niet zo'n vertrouwen in hem. Mijnheer Delblonde gaat namelijk hard achteruit.'
'Ik zal eens poolshoogte nemen,' zegde zijn zoon toe.
'De gemeente Arles zoekt trouwens nog een arts,' herinnerde Reynière zich. 'Daar moet je eens gaan solliciteren.'
'Zal ik doen, moeder. Bedankt voor de tip.' De volgende dag bezocht hij mijnheer Delblonde, die al geruime tijd onder medische behandeling van Villain stond. Deze chirurgijn verzorgde je wonden, sneed gezwellen weg, verrichtte aderlatingen, trok kiezen, maakte geneesmiddelen van kruiden en knipte je haren of schoor je baard. De langdurig zieke Delblonde had de pech om niet voor zijn gratis behandeling in aanmerking te komen. Zijn ziekte duurde maar voort en hij moest het enige familiestuk verkopen - een wortelnoten kast - om de rekeningen te kunnen voldoen. Alleen de straatarmen werden voor niets geholpen en de gemeente dekte deze kosten. Michels vermoeden werd bij binnenkomst bevestigd; Villain was nog van de oude stempel. Delblonde was volledig uitgeput door laxeermiddelen en diverse fontanellen. De patiënt lag in kritieke toestand in bed, met een zus aan zijn zijde. Nostradamus stelde zich voor en de oude man meende hem van vroeger te herkennen. Half ijlend begon hij herinneringen op te halen, maar zijn zus stak daar een stokje voor.
'Laten we alstublieft geen tijd verdoen, dokter,' zei ze en ze vertelde dat haar broer steeds zieker werd nadat de huidsneden waren gaan ontsteken. Villain wilde hiermee het lichaam van een teveel aan humeuren verlossen. Michel onderzocht de patiënt en stelde de diagnose.
'Ik denk dat de oorzaak niet ernstig is, maar de medische behandeling wel. Als u wilt dat uw broer in leven blijft, moeten de huidsneden weer dicht en die purgerende drankjes de deur uit,' drong hij erop aan. De wanhopige zus vond het de hoogste tijd voor verandering en stemde toe. Michel verwijderde direct de ijzeren staafjes uit de tientallen fontanellen en waste de wonden met water schoon.
'Geef uw broer ook dagelijks vers fruit en groente,' adviseerde de esculaap bij vertrek, 'zodra hij is aangesterkt, kom ik nogmaals langs.' Op het stadhuis was men woedend, toen ze van deze 'illegale' praktijk hoorden. Ze gaven de politie opdracht om de charlatan op te pakken, maar die toonde zijn papieren, waaruit bleek dat hij een erkend arts was en dat hij het volste recht had om elke zieke in heel Frankrijk te behandelen. De gemeenteraadsleden maakten nog amok en wierpen hem voor de voeten dat er in Saint Rémy maar voor één chirurgijn plaats was, maar Nostradamus hield zijn poot stijf en ze wisten er niets tegen in te brengen. Binnen een week sterkte mijnheer Delblonde aan en de omstreden geneesheer zegde hem aan vanaf nu korte wandelingen te maken. De patiënt deed wat hem werd opgedragen en maakte sinds maanden weer een ommetje door de stad. Zijn gezondheid ging met sprongen vooruit en alle stadsgenoten vernamen van zijn verrassende genezing. De stadschirurgijn en het bestuur stonden voor schut en Michels naam als arts stond op de kaart. Binnen enkele dagen klopten zieken bij huize De Nostredame aan en de wonderdokter behandelde hen met goed gevolg. Nadat Villain in de loop der tijd enkele grote missers had begaan, werd Michel aangesteld als de nieuwe, wettige arts van Saint Rémy. De beëdiging was nog maar net een feit, toen er zich een massale pestuitbraak in de Camargue voordeed. Het districtsbestuur maakte melding van duizend dodelijke slachtoffers in het gebied en de nieuwbakken chirurgijn stond voor een grote uitdaging te wachten. De pestilentie was zeer besmettelijk en als een familielid deze ziekte onder de leden had, wachtte jou in de regel hetzelfde lot. Binnen twee tot zes dagen kon je dan dood en begraven zijn. Ook honden, katten, kippen en zelfs paarden gingen eraan ten onder. Maar de jonge arts was veerkrachtig en meende resistent te zijn. Gelukkig was Saint Rémy nog niet getroffen door een pestuitbraak. Maar het nabijgelegen dorpje Sainte Doffe wel en het openbare leven was er compleet tot stilstand gekomen. Lijken lagen er op straat te rotten of werden door ontredderde naasten in allerijl in opgeworpen graven gegooid. In de straten hing een ondraaglijke stank van rottend vlees en men verbrandde geurende stukken hout om hem te verdrijven. Veel dorpelingen hadden, om in leven te blijven, hun zieke familieleden het huis uitgejaagd. Anderen waren weer naar elders gevlucht. Michel bezocht in dit geplaagde dorp zijn eerste pestgeval en werd in een lemen hutje naar een doodziek kind gebracht. Het jongetje spoog bloed op, had zwarte plekken, hoge koorts en bulten zo groot als een ei. Om de lucht te verfrissen besprenkelde zijn moeder de vloer met azijn. De stoutmoedige arts onderzocht het kind, maar stond eerlijk gezegd met de handen in het haar. Tegen deze ziekte was nog geen remedie gevonden. Op de universiteit werd aangeraden om in die gevallen een aderlating toe te passen, maar van zulke achterlijke praktijken wilde Michel zich verre houden. Om de familie hoopvol te stemmen hing hij om de nek van het kind maar een stukje duivelsdrek, dat bij exorcisme werd gebruikt. Hij noteerde verder de kenmerken van de uiterst besmettelijke ziekte en vertrok zonder iets wezenlijks te kunnen verrichten. In de navolgende dagen bezocht de arts verschillende pestlijders, die aanvankelijk hun heil in de geestelijke vrede met God zochten. Waar hij ook binnenkwam, altijd was er wel een benepen pastor die de zieke de biecht afnam en hem of haar een plaatsje in het hiernamaals beloofde. Medici kwamen jammer genoeg op de tweede plaats. Onwetendheid is een hoofdzonde, besefte Michel eens te meer. Het vele bijgeloof, de machtsmisbruik en onkunde stimuleerden hem echter wel om de oorzaak van de ziekte met het gezonde verstand te achterhalen en er een oplossing voor te vinden. Hij onderscheidde twee soorten pest: de builen- en de longpest. Na het bestuderen van de ziekteverschijnselen zag hij het belang van hygiëne in, dat in het joodse geloof al eeuwenlang een traditie was. Een interessant voorval in Milaan onderschreef zijn bevindingen. De aartsbisschop had er verordonneerd de eerste drie huizen die door de pest getroffen waren, samen met de bewoners dicht te metselen. Milaan bleef hierdoor gevrijwaard van een verdere uitbraak. Uit dit hardvochtige beleid werd duidelijk dat besmettingen onzichtbaar werden doorgegeven. Zo stelde Nostradamus bij nieuwe gevallen een quarantaine in, tijdens welke de gezonde burgers niet meer in contact mochten komen met de zieken, die nog wel van voedsel en water werden voorzien. Deze manier begon zijn vruchten af te werpen. De onderzoeker kwam tevens op het idee dat de wind de ziekte mee kon voeren en hij deelde daarop maskers uit aan de bevolking van een naburig dorp, dat nog van de pest gevrijwaard was. De inwoners bleef de epidemie bespaard en Michel begon het bestaan van bacteriën te vermoeden. Hij gaf daarom iedereen het advies om als het even kon één keer per week een warm bad te nemen en de handen vóór elke maaltijd te wassen met zeep. Hij stimuleerde ook de tanden regelmatig te poetsen, bijvoorbeeld met uitgekauwd zoethout, de mond te spoelen met honingwater of zure wijn, en nagels, haren, snorren en baarden te knippen en te wassen. Voorts diende men ook zo vaak mogelijk gedragen kledingstukken te verschonen en ze grondig te wassen, bij voorkeur met heet of kokend water. Ondanks het nodige pionierswerk bleef&nbs p;hij evenwel een roepende in de woestijn, totdat paus Clemens VII van de eigenzinnige pestbestrijder uit Saint Rémy vernam en hem in zijn privévertrek in Avignon uitnodigde. De paus vroeg hem hoe hij zich moest beschermen tegen een toekomstige pestuitbraak, waarop Michel hem adviseerde om zich in dat geval in zijn residentie terug te trekken. Toen de epidemie een maand later bij de kerkelijke vorst in de buurt toesloeg, bracht deze verscheidene weken in eenzaamheid door. Door de isolering bleef hij in leven en Nostradamus kreeg faam. De pest raasde intussen door alle landstreken en eiste een verschrikkelijke tol in heel Europa. De gebieden met overbevolking werden het hardst getroffen. Legers met goed getrainde, sterke soldaten vielen na een epidemie in enkele dagen uiteen en lokale oorlogen waren op voorhand verloren. Kwakzalvers probeerden onderhand uit de paniektoestand munt te slaan. De jonge arts werkte dag en nacht in deze donkere tijden en behandelde wel duizend mensen.
Na vier jaar was de pest eindelijk uitgeraasd en keerde hij naar Montpellier terug om zijn studie alsnog te voltooien. François was intussen afgestudeerd en verrassend uit Frankrijk vertrokken. De huisbewaarster vertelde hem dat er strenge maatregelen waren genomen tegen hervormden, humanisten en andersdenkenden en dat er in het land geen ruimte meer was voor wetenschappers met een scherpe tong. François had desondanks prijs weten te schieten, want hij werkte nu in Turijn als arts voor de onderkoning van Piemonte. Michel zette zijn tanden weer in zijn studie, maar stuitte op veel onbegrip bij zijn vroegere leraren voor zijn progressieve ideeën. Zijn theoretische en praktische kennis was daarentegen zo overweldigend dat de leraren hem een jaar later zijn doctorstitel niet konden ontzeggen. De onconventionele arts gaf zelfs nog korte tijd les aan deze universiteit, maar zijn behandelingsmethoden leidden uiteindelijk tot te veel consternatie. De hoofdbestuurder greep in: de luis in de pels werd berispt en verliet daarop de universiteit. Gepokt en gemazeld keerde Michel terug naar zijn vaste stek in Saint Rémy en besloot daar het praktiseren te hervatten.




Hoofdstuk 3



'Oost west, thuis best,' zei Jacques na de zoveelste terugkeer van zijn zoon, maar die reageerde niet op zijn melige opmerking.
'Wat ben je veranderd, jongen, je bent zo zwijgzaam.'
'Ik word ouder, vader,' antwoordde hij beknopt. Michel was zijn ouders volledig ontgroeid maar wilde hem niet kwetsen en ging er verder niet op in. Sinds kort was er ruimte over in huis en de medicus besloot opnieuw de verlaten zolder te betrekken. Julien studeerde nu rechten in Aix-en-Provence en Bertrand woonde met een vrouw in een zelfgetimmerd huis aan de rand van het stadje. Hector en Antoine woonden nog wel thuis en hoopten op nieuwe verhalen van hun wereldse broer, maar deze liep niet bepaald warm om te kleppen. Michel had al zoveel meegemaakt en zijn geest was te zwaar en te krachtig geworden voor tijdverdrijf. Zelfs zo zwaar en zo krachtig dat hij beneveld raakte. De mystieke sluier zorgde voor bescherming van zijn hogere lichamen in ontwikkeling en het maakte hem ongenaakbaar. En als iemand die deken van hem aftrok, kon zijn blik je wel doden. Het geleerde familielid had de rust hard nodig en liet de karakterverandering gelaten over zich heen komen. Vandaag ging de nimmer versagende arts in het nabijgelegen Arles enkele patiënten opzoeken. Na een aangenaam tochtje door het zonnige landschap stopte de koets voor een hof met een geel huis dichtbij het centrum. Nostradamus klopte aan en wachtte, maar er kwam geen reactie. De vensterluiken stonden open en hij wierp een blik naar binnen.
'De dokter,' riep hij articulerend, maar er was nog geen teken van leven. Hij besloot nog eenmaal hard op de voordeur te kloppen eer hij door het venster naar binnen zou klimmen, toen hij plotseling van achteren door een bonkige man met rossig haar werd benaderd. De man, wiens schoenen onder de verf zaten, duwde hem achteloos opzij en stapte het bewuste huis in.
'Ho, wacht even, ik kom hier een patiënt bezoeken,' zei Michel, maar de man zonder linkeroor leek doofstom en gooide lomp de deur voor z'n neus dicht.
Dit heb ik nog nooit meegemaakt! dacht de achterblijver ontluisterd. Ik word hier gewoon als een voetveeg behandeld.
Namokkend liep de doorgaans gerespecteerde arts wat door Arles, dat wellicht tot de mooiste steden van Frankrijk behoorde. Nostradamus had door het akkefietje tijd over en bestelde een koel drankje op het met cafés bezaaide Place du Forum. Vanuit een rieten stoeltje bekeek hij wat er op straat gebeurde en leste tegelijk zijn dorst. De provinciestad stond bekend om haar culturele manifestaties en werd door veel rijke Italianen en Spanjaarden bezocht. De buitenlanders vielen op door hun dure kleding en afwijkende uiterlijk. Het was een vermakelijk schouwspel en het trok veel bekijks. Een poosje later naderde er uit een winkelstraat een Italiaanse jonkvrouw, waar Michel direct van onder de indruk raakte. Hij schatte haar leeftijd begin twintig, een paar jaar jonger dan hijzelf. De Italiaanse had een klein, mooi hoofd, gedragen door een lange nek, schitterende ogen en ze bewoog zich heel elegant. De geneesheer vergaapte zich aan de bekoorlijke dame die van hoge komaf moest zijn en hij wist de ogen niet meer af te wenden. Zo'n mooie vrouw had hij nog nooit gezien en zijn hart werd door cupido geraakt. Gewoonlijk pronkte men niet met schoonheid, maar Italianen wel; de jonkvrouw liep met zeer opvallende kleding rond. Ze droeg een paars fluwelen japon met bolle mouwen en een openstaande, witte kraag. Het Venetiaansachtige gewaad verbreedde zich vanaf haar taille tot aan de grond door middel van hoepels. Tientallen! Voorts was haar zwarte haar als een tooi op het hoofd gebonden en met edelstenen gedecoreerd. Om haar hals hing nog een parelen ketting, zo te zien heel kostbaar. Terwijl de adembenemende dame Michels kant op liep, sleepte ze haar jurk statig over de grond, en hoe langer hij naar haar keek, hoe meer hij van de aarde raakte. Toen de Italiaanse langsliep, die met twee heren en een matrone aan het keuvelen was, keek ze haar bewonderaar plotseling onbevangen aan. Een betovering vond plaats. Door haar onverwachte blik smolt Nostradamus als was en zijn leven leek nu pas te beginnen.
'Mijn hemel,' stamelde hij van slag. En terwijl hij haar bleef aanstaren, trilde hij als een rietje. Hij voelde zich opeens zo klein en kwetsbaar als hij nooit voor mogelijk had gehouden. Na jarenlang alleen patiënten te bezoeken was hij de liefde totaal vergeten, en daar begon zomaar de zon in de krochten van zijn ziel te schijnen. Tijdens de ademtocht dat beiden elkaar aankeken, werd ook zij door een liefdespijl getroffen en blozend wandelde ze met het gezelschap verder. Michels hart stond in vuur en vlam en hij moest en zou deze vrouw het hof maken. De aanbidder sprong op, gooide wat kleingeld op het tafeltje en rende gedrogeerd achter de Italiaanse aan. Op afstand volgde hij het groepje en zocht koortsachtig naar een mogelijkheid om toenadering te zoeken. De jonkvrouw voelde hem achter zich aankomen, maar durfde niet om te kijken en schoot uiteindelijk een pension in. De wankele arts raakte er zowat van in paniek.
Wat moet ik nou doen? vroeg hij zich af. Een dienstmeisje verliet toevallig hetzelfde pension. Hij zag het en riep haar toe: 'Juffrouw, kunt u mij misschien vertellen wanneer dat laatste gezelschap vertrekt, want ik heb nog iets te bespreken.' Het dienstmeisje bekeek zijn nette voorkomen en reageerde als gewenst: 'U bent een bekende van de De Vaudemonts?'
'Min of meer,' verdraaide hij de waarheid. Ze werd loslippig en vertelde hem dat het gezelschap de komende zaterdag weer naar de Lot en Garonne zou vertrekken. Hij wist genoeg, bedankte haar en keerde in de wolken terug naar Saint Rémy. Daar ging hij zich beraden op een ontmoeting met de vrouw van zijn dromen. Tijdens het middageten zat er een verkleurde huisgenoot aan tafel.
'Wat ben jij in een goed humeur,' merkte vader op.
'En zo knap heb ik je nog nooit gezien,' voegde moeder toe, 'je straalt helemaal.' Michel lachte schaapachtig, maar repte er met geen woord over, hij liep niet graag met z'n hart te koop. Maar bij Reynière ging er een lichtje branden.
'Volgens mij weet ik wat er gaande is,' zei ze guitig en toen haar zoon de volgende dag om een spiegel vroeg, wist ze het zeker. Hij moest verliefd zijn!
'Is het een dame waar je zo van uit je doen bent?' vroeg ze.
'Eh ja,' bekende hij.
'Dan zal ik je een paar tips geven. Je mag dan wel geleerd zijn, maar als het om vrouwenzaken gaat, kun je nog altijd beter naar mij luisteren.' Moeder had zijn geheim doorzien en de noeste arts keek haar als een klein kind aan.
'Vrouwen vinden het fijn als je ze een complimentje geeft,' vertelde ze. 'Komt ze uit de buurt?'
'Nee, uit Italië.'
'Zo, het land waar de mode vandaan komt. Dan moeten we jou maar eens verfraaien.' En nog die dag kocht moeder een trendy kostuum en ze paste het hem persoonlijk aan. Hector en Antoine kwamen nieuwsgierig kijken naar wat er met hun broer in de huiskamer gebeurde.
'Moeder is Michel aan het aankleden?' krabden ze zich achter de oren. Reynière pakte het nieuwe, rode wambuis uit en trok het bij zoonlief over het hoog gesloten hemd met pluches aan. Daarover kwam nog een zwarte paltsrok.
'Die wil ik ook!' riep Hector enthousiast, toen hij de dure fluwelen overjas met lange, open, gespleten mouwen zag. Even later kwam vader van zijn werk thuis.
'Michel, ik heb nog post voor je,' meldde hij in verwondering toekijkend.
'Ik kan nu even mijn handen niet gebruiken, pa.'
'Ik berg het wel in de secretaire voor je op,' bood Jacques aan. Zijn vrouw bleef ondertussen voortdurend aan de kledingstukken trekken.
'Je bent tenger en dit maakt je breder,' zei ze nu onder de jas peuterend.
'Ik moet je maar geloven,' antwoordde haar zoon, die stokstijf bleef staan. Weldra hinkte hij van het ene naar het andere been, omdat zijn moeder hem een pofbroek met braguette aan probeerde te trekken. Daarna bracht ze aan zijn voeten witte kniekousen en brede koeiemuilschoenen.
'Die schoenen zijn mooi, zeg,' vond Antoine.
'Zeker,' beaamde zijn uitgedoste broer omlaag kijkend. Tot slot plaatste Reynière nog een bonnet met pluim op zijn hoofd, en het resultaat mocht er zijn.
Zeer gedistingeerd en koket tegelijk, vatte iedereen het samen, en het verliefde familielid paradeerde ermee door de huiskamer.
'Goede genade, je lijkt de koning wel,' zei vader, die nogmaals voor beslommeringen binnenliep.
De volgende dag begaf de arts, die vrij had genomen, zich tevreden met zijn nieuwe pak naar Arles. Daar scharrelde hij een uur rond het pension waar de mooie jonkvrouw voorheen was in gegaan. Hij tuurde herhaaldelijk door alle vensters van het verblijf in de hoop een schim van haar te ontwaren, maar ze was nergens te bekennen. Er was wel een gebochelde die hoogst irritant stierengevechten reclameerde en vlak naast hem ging staan. De minnaar droop af en nam plaats op hetzelfde terras waar hij twee dagen eerder had gezeten. Hij bestelde een borreltje om tot bedaren te komen, toen hij de schoonheid opeens uit het niets en in haar eentje voorbij zag komen. Zijn teleurstelling verdween als sneeuw voor de zon en parmantig haastte hij zich naar haar toe. Hij had zich niet vergist: wat was ze mooi, zo elegant en fijn. Onweerstaanbaar! De Italiaanse raakte overstuur toen ze hem zag aandraven en wist een moment niet hoe ze zich moest houden. Ze kreeg bovendien het schaamrood op de kaken toen ze zijn moderne uitrusting zag, die tot in de puntjes was verzorgd. Dat moest onmiskenbaar voor haar bedoeld zijn, dacht ze beklemd en tegelijk vereerd.
'Mademoiselle De Vaudemont,' ving hij hakkelend aan, 'als arts zijnde moet ik u wijzen op uw te strak ingesnoerde jurk bij de taille. Dat is slecht voor de bloedsomloop.' Wat stom van me, mijmerde hij toen, ik had haar juist een compliment moeten geven, en zenuwachtig corrigeerde hij zich.
'Ik bedoel, het kan uw schoonheid schaden,' maar er kwam geen reactie; de Italiaanse stond met de mond vol tanden. Laat ik me maar vrijelijk uiten, nam hij zich voor.
'Eerlijk gezegd ben ik diep onder de indruk van u en ik moest u weer zien,' zei hij. Toen brak het ijs en glimlachte ze om zijn openhartigheid.
'Praktiseert u hier in Arles?' vroeg ze nog stijfjes maar in accentloos Frans.
'Eh nee, ofschoon, toch ook, maar ik kom uit Saint Rémy, en daar werk ik ook.' De van zijn stuk gebrachte arts stelde zich voor en nodigde haar uit om wat te gaan drinken, waarop ze samen naar het terras liepen waar zijn borreltje van zonet nog stond. Het was een hele kunst om haar hoepelrok tussen de tafeltjes door te manoeuvreren, maar uiteindelijk zaten ze dan.
'U ziet er werkelijk fabuleus uit,' complimenteerde hij "Yolande", 'maar hoe komt u de dag toch door met die schitterende doch loodzware jurk?'
'Ik draag deze jurk alleen als ik door de stad flaneer, zodra ik thuis ben gaat-ie uit,' en nerveus bedankte ze de ober voor het anijsdrankje. Omstanders keken intussen met open mond naar het feeërieke stel. De volkse aandacht ontging de twee echter geheel en de geneesheer bezon zich op gespreksstof.
'Dat is alleen toch niet te doen, zo'n jurk?'
'De matrone helpt mij ermee,' antwoordde ze en er viel een stilte. Michel zocht opnieuw naar woorden, maar wist niets en bestelde nog een borreltje.
'Dat schijnt een zware studie te zijn, om arts te worden,' merkte Yolande nu op.
'Ach, vijf jaar universiteit.'
'Nou, knap hoor, er zijn maar weinigen die dat volbrengen,' loofde ze hem en langzaam begon er iets moois tussen hen te stromen.
'Wat brengt u hier in Arles? Zo te zien bent u op doorreis,' vroeg Michel door. Yolande vertelde hem dat haar familie een kasteel in de Lot en Garonne bezat, waar ze naartoe op weg waren, en dat ze van een adellijk geslacht was.
'Het kasteel is zeker van uw ouders?' nam hij aan. Ze beaamde het en terwijl de rem er vanaf ging, sprak ze over haar vader, graaf Ferry VI de Vaudemont, en haar moeder, koningin van Napels. Haar ouders hadden negen kinderen, waaronder zijzelf. De kou was nu helemaal uit de lucht en er vond chemie tussen hen plaats. De vonken sprongen zelfs van het stel af. Het was ware liefde en de tijd vloog nog nooit zo snel voorbij. In de zevende hemel namen ze ten slotte afscheid van elkaar en ze lieten het publiek verwarmd achter. Yolande beloofde hem onmiddellijk te schrijven, wanneer ze in de Lot was aangekomen. Terug in Saint Rémy vroeg moeder direct aan haar zoon hoe het hem was vergaan.
'Positief,' antwoordde hij koel.
'Positief, is dat alles wat je te vertellen hebt? Je straalt rozengeur en maneschijn uit, man!'
'Nou goed dan,' lachte hij breeduit, 'maar eerst dat apenpak uit,' en toen hij de trap naar de zolder op rende, schreeuwde hij het uit
: 'Dit wordt mijn vrouw!' Een week later ontving hij de eerste brief van zijn geliefde, waarin ze duidelijk haar verlangen naar hem liet blijken. Na meerdere briefwisselingen werd het evident; het vuur bleef branden en de twee waren voor elkaar bestemd. In het laatste schrijven verzocht Yolande hem of hij haar vlug kwam opzoeken in de Lot. Jacques en Reynière waren reuzeblij dat hun oudste zoon eindelijk een vrouw had gevonden en nog wel een van rijke adel.
'Je hebt een flinke vis aan de haak geslagen, Michel. Ik hoop dat wij in je testament mogen komen,' plaagde zijn vader, de notaris.
'Vakidioot,' reageerde zijn zoon ongewoon losjes.
'Je gaat dan zeker in dat mooie kasteel wonen,' veronderstelde moeder.
'Dat is wat kort door de bocht, mama. Eerst eens kijken hoe het bezoek verloopt.' Maar haar intuïtie zei haar dat haar zoon het dorp voorgoed zou verlaten.

Niet lang daarna vertrok Nostradamus naar zijn prinses, die hij ging bevrijden, en in zijn verbeelding maakte hij het allemaal nog mooier.
De liefde maakt werkelijk blind, besefte de geluksvogel, die de lange reis via Toulouse per koets aflegde, en onderweg werd hij bevangen door een verlangen naar Yolande dat - zo meende hij - eeuwig zou kunnen branden. In de Ariège reed het rijtuig langs de historische berg Montségur, waar de laatste katharen eeuwen geleden massaal waren vermoord, en hij moest even aan zijn oude studievriend François Rabelais denken. Het landschap werd nu een stuk groener en je zag hier overal wijngaarden.
Druiven plukken, fantaseerde hij meteen, alleen druiven plukken met haar is al genoeg, en in een roes bekeek hij de bloeiende gaarden tot aan de horizon. Toen het begon te schemeren, tekende het silhouet van slot Puivert zich in de verte af: het was het kasteel van de De Vaudemonts. De burcht stond mooi op de top van een heuvel en Orion leek er symbolisch boven te schitteren. De koetsier had de reis goed uitgestippeld, want om zeven uur kwamen ze aan, en hij parkeerde er zijn voertuig in het halfdonker. De minnaar stapte gespannen uit en keek naar een teken van leven. Abrupt werd het valhek in de massieve poorttoren opgehesen. Michel haalde diep adem en liep met zijn bagage naar de geopende poort. Terwijl hij om zich heen keek, ving hij achter een openstaand raam een glimp van zijn geliefde op. Zenuwachtig liep hij onder het valhek door een immense koer op, waarna het hek tegen indringers achter hem dichtplofte.
'Goedenavond, mijnheer Nostradamus,' groette graaf De Vaudemont hem, die nog even snel zijn hangsnor in de plooi trok. De vader van Yolande bleef afstandelijk op zijn plek en een toegesnelde knecht nam de bagage over.
'U bent dus de jonge arts waarover mijn dochter zo uitbundig gesproken heeft. Hebt u een goede reis gehad?'
'Jazeker seigneur, alleen snakt mijn lichaam naar beweging,' antwoordde Michel, die demonstratief zijn ledematen begon te strekken. Yolande kwam verheugd aanzetten, maar zonder één woord met haar minnaar te kunnen wisselen, werd de laatste op last van haar vader naar zijn slaapvertrek gebracht.
'Vanavond tijdens het diner krijg je ruim de kans hem te spreken,' fluisterde hij zijn dochter toe. Het stootte de kasteelheer tegen de borst haar als een hijgend hert achter de nieuwkomer te zien gaan. Dat kleffe gedoe! En met een afkeurend gezicht verdween de graaf in een van de vertrekken. De gast werd naar de twintig meter hoge donjon gebracht.
'De bovenste etage is uw slaapvertrek,' prevelde de knecht, die een olielamp aanstak en traag de trappen opliep. Duizend treden hoger werd de vermoeide reiziger bij een hemelbed achtergelaten, dat onder toeziend oog van acht sculpturen van muzikanten stond. Na een slaapje besloot Michel zijn directe omgeving te verkennen. In het donker beklom hij een smal, houten trapje naar het dakterras, waar hij een prachtig uitzicht had over de streek. De maan scheen vol op het dorpje Puivert, dat in het dal aan een verstild meer lag. Beneden op het koer trok geroezemoes zijn aandacht. Enige gesoigneerde gasten stonden er op het souper te wachten. Michel liep haastig terug om zich te verkleden en sloot zich nadien bij het groepje aan, dat al werd binnengelaten. In de grote, aangeklede zaal stond een prachtige eettafel met toepasselijke stoelen. Het meubilair behoorde tot de avantgarde. De arts werd door een bediende aan tafel tegenover Yolande geplaatst, maar wel tussen Ferry VI en de koningin van Napels in. Zij zouden deze serieuze kandidaat voor hun dochter wel eens aan de tand gaan voelen. De geliefden keken elkaar vol verwachting aan, maar waren tegelijk wat onzeker over het oordeel van de ouders. Yolande droeg een schitterende turkoois japon en haar haar was ditmaal gekapt in een laag zittende knot. Ingehouden glimlachte ze naar haar vriend, die het subtiel beantwoordde. De eettafel was vorstelijk gedekt. Zo was er een glasservies met gouden rand en ingeschilderd familiewapen. Ook het tafellinnen en couvert waren voorzien van datzelfde wapen. De heraldiek was hier overal terug te vinden. Het personeel schotelde intussen de entrees voor. Buiten de graaf en de gravin waren er vijf zonen, vier dochters, drie aangetrouwde familieleden, enkele kleinkinderen en een handvol gasten. Tijdens de rijkelijke maaltijd konden de tortelduifjes de ogen maar niet van elkaar afhouden en ze begonnen te flirten.
'Er zijn nog andere mensen aan tafel,' zei een schoonzoon vervolgens geïrriteerd. In ieder geval was het klip en klaar: de twee hielden van elkaar.
'U schijnt een goede reputatie in de Provence te hebben opgebouwd,' merkte de graaf op, terwijl zijn hangsnor rakelings langs de soep scheerde.
'Ik doe mijn best om zieken te genezen,' zei de medicus, 'maar ik ben blij dat de laatste pestuitbraak weer is uitgeraasd, want zoveel heb ik daar niet in te brengen.'
'Hier hebben we die verschrikkelijke ziekte gelukkig nog niet meegemaakt,' liet de koningin van Napels van zich horen.
'Maar bent u wel afgestudeerd?' vroeg de graaf opeens.
'Ik heb u dat al eerder verteld, vader,' verdedigde Yolande haar geliefde.
'Ik zal u het getuigschrift na de maaltijd overhandigen, seigneur,' zegde Michel toe.
'Graag, dat interesseert mij zeer. Dan verwacht ik u dadelijk in mijn vertrek, waar ik bovendien een uitstekende cognac heb staan. U begrijpt natuurlijk dat ik slechts het beste voor mijn dochter wil.' Ferry VI bleef argwanend en schaamde zich er niet voor een vragenlijstje door te lopen, dat moest uitmaken of de arts wel geschikt was als schoonzoon. De vragen betroffen willekeurige thema's; telkens wist Nostradamus een onberispelijk antwoord te geven en het wantrouwen begon te slinken. Na het dessert liep de graaf kortstondig met zijn vrouw de zaal uit om na een onderonsje weer terug te keren. Het echtpaar had zo te zien bekonkeld dat de gegadigde goed genoeg voor hun dochter werd bevonden. Michel kon sindsdien geen kwaad meer doen. Nadat Ferry VI zich nog met hem in zijn vertrek had teruggetrokken, kregen de minnaars eindelijk de tijd om samen te zijn en stilletjes maakten de twee een wandeling buiten de poort. Ze bleken elkaar zó goed aan te voelen dat woorden overbodig waren. Achter een kastanjeboom kusten ze elkaar heimelijk en de aanraking was als magie. Na een week op het slot vroeg Michel Yolande ten huwelijk, die dat maar al te graag wilde. Haar berekende vader gaf nog diezelfde dag zijn toestemming; de kandidaat voldeed immers aan alle voorwaarden. Een droom ging in vervulling en Nostradamus kreeg het gevoel de hele wereld aan te kunnen. De van zwaarmoedigheid bevrijde arts bracht zijn ouders op de hoogte van de aanstaande bruiloft op Puivert, maar deze lieten weten de lange reis door ouderdomskwalen niet aan te kunnen. Alleen zijn broer Hector zou van de partij zijn. Hun oudste zoon verzocht verder of ze zijn persoonlijke bezittingen wilden laten overbrengen en beloofde zo snel mogelijk met Yolande naar Saint Rémy te komen.
Dé dag brak aan en talloze prominente lieden waren bijeengeroepen om er een grootse gebeurtenis van te maken. En het wérd een spetterend trouwfeest en toen het bruidspaar eindelijk alleen was, plukten de twee aan elkaar tot sint-juttemis.
'Het is als een sprookje om met jou getrouwd te zijn,' zwijmelde Michel, terwijl ze in zijn hemelbed lagen te zoenen.
'Het ís een sprookje,' zei ze zachtjes terug en ze smolten verder met als sluitstuk de ontlading. De acht sculpturen van muzikanten hadden ze maar omgedraaid. Die keken nu de andere kant op. Na de hemelse huwelijksnacht werden er spijkers met koppen geslagen; ze besloten in Agen te gaan wonen. Het gilde zocht er een gediplomeerd arts en ze hadden Nostradamus de betrekking toegezegd. De invloedrijke stad lag niet ver van Puivert vandaan en zo behielden de echtelieden zelfstandigheid én contact met de familie. Het overgelukkige stel ging op huizenjacht en vond spoedig een geschikte woning aan het stadsplein, dat gesierd werd door een prachtige fontein. Tijdens het inrichten van hun nieuwe huis genoten ze van hun vrijheid, de zomerse dagen maar vooral van elkaar. Op een zwoele nacht dartelden de geliefden naar de fontein en ze dansten er onder de spuitende waterstralen dat het een lieve lust was. Op de bassinrand dropen ze af en bekwamen van de pret.
'Doe je ogen dicht,' verzocht Yolande opeens en ze stopte iets in z'n mond.
'Een kers!' slaakte hij.
'Ik heb nog iets voor je.'
'Een andere vrucht?'
'Ja, ik ben in verwachting,' en in extase zoenden ze verder.

Nostradamus zette naast zijn werk een parfumfabriekje op waar geconcentreerde oliën voor geneeskundig gebruik werden gemaakt. Een tiental werknemers destilleerde er planten en kruiden tot etherische oliën en voor elke kwaal wist hun meester wel een recept te ontwikkelen. Inmiddels begon het getrouwde stel zich aardig in Agen thuis te voelen. Zo was er in de Rue du Soleil een bijzonder boekwinkeltje, waar Michel op een dag ging rondsnuffelen.
'Kunt u het een beetje vinden?' riep de eigenaar, die achterin bezig was.
'Ik kijk alleen wat rond. Ik ben niet naar iets specifieks op zoek,' zei de bezoeker terug. De boekhandelaar met lange baard kwam naar hem toegelopen.
'U bent toch de nieuwe arts?'
'Ja, dat klopt!'
'Ik ben Abigail, fijn weer eens een belezen mens te mogen ontmoeten. Het is in dit stadje wat dat betreft pover gesteld.'
'Ik ken de mensen hier nog niet zo goed,' excuseerde Michel zich.
'Natuurlijk is een boek veel duurder dan een brood en bijna niemand kan zich het veroorloven,' nuanceerde Abigail zijn uitspraak, 'maar als u nog eens medische lectuur zoekt, dan kan ik u zeker van dienst zijn. Ik heb namelijk goede contacten met uitgevers in Londen, die op dit gebied vooruitstrevend zijn.'
'Wellicht later, als ik wat meer tijd heb,' zei de drukbezette arts. 'Ik moet er helaas weer vandoor, tot ziens,' en hij ging naar zijn volgende patiënt toe.
Nadat de geneesheer in de loop der tijd een aardige verzameling medische werken had aangeschaft, werd hun eerste kind geboren. Het was een zoon; Victor, en toen die nog maar amper in de luiers zat, werd zijn moeder opnieuw zwanger. Zijn vader raakte intussen bevriend met de boekhandelaar, die op een dag een mysterieuze bundel voor hem opzij had gelegd. Nostradamus was aangenaam verrast toen hij het werk zag, waar in gotische letters 'kabbala' op stond geschreven. Natuurlijk had hij er vroeger over gehoord, maar hij had zich er nooit in verdiept. Dat hij dit nu plompverloren van Abigail moest krijgen.
'Wat kost het?' vroeg hij naar zijn beurs grijpend.
'Het boek kost u niks,' antwoordde Abigail.
'Nou, hartelijk bedankt dan.'
'U hoeft mij niet te bedanken, maar een stille bewonderaar van u.' De dokter haalde verbaasd zijn schouders op en nam het cadeau mee. Thuis lag Victor als een roos in zijn bedje te slapen en zijn vader kon in alle rust bekomen van de lange werkdag. Yolande schonk haar man jasmijnthee in en bij de haard vermaakten ze zich bij elkaar. Tevreden bekeek de succesvolle arts zijn mooie vrouw, gaf haar een zoen en legde zijn hand op haar dikke buik; het ongeboren kind trappelde al een beetje. Na de thee besloot hij zijn nieuwe boek over de kabbala te gaan lezen en hij haalde het uit de kast. De overdracht van mystieke kennis, was de ondertitel. Terwijl hij zich behaaglijk tegen zijn eega op het vloerkleed vlijde, sloeg hij het boek open en vond toen een kaartje met naam en adres: 'Julius Scaliger, 15 Avenue de Lattre, Agen.' Dat moest ongetwijfeld van zijn stille bewonderaar zijn.
'Yolande, ken jij ene Julius Scaliger?'
'Scaliger, dat is een befaamde stadsgenoot die als schrijver furore maakt. Hij is een alom geprezen humanist,' antwoordde ze.
'Waarom weet ik dat niet?'
'Je kunt niet alles weten, schat, maar hoe kom je bij hem?'
'Hij heeft me dit boek gegeven. Kijk z'n kaartje,' en hij gaf het haar.
'Waarom zou hij dat doen?' vroeg Yolande verbaasd.
'Dat zal hij beter weten dan ik.'
'Wacht eens even, hij is ook arts,' schoot het haar te binnen, 'lijfarts van de bisschop van Agen. Dat moet de link met jou zijn. Wellicht kent hij je van de medische universiteit in Montpellier?'
'Zeker weten van niet,' zei hij. 'Eens kijken wat voor boek hij me heeft geschonken,' en hij begon te lezen.
'Naast de schriftelijke traditie van de Bijbel is er ook de traditie van de kabbala. Deze mystieke kennis is gebaseerd op Genesis en wordt voornamelijk van leraar tot leerling overgebracht. De levensboom is het voorgeschreven model en deze vorm is de sleutel tot het mystieke bijbellezen. We spreken over de vier werelden, die symbool staan voor de verschillende bewustzijnsniveaus in het scheppingsverhaal, en met behulp van meditatie wordt deze kennis verdiept. De kabbala is oorspronkelijk een joodse, mystieke traditie om geheime boodschappen in de Bijbel aan het licht te brengen, maar ze wordt tegenwoordig ook in de scholastiek gebruikt. De kabbala wordt beoefend in scholen der esoterie en door individuele magiërs.'
Michel sloeg het boek dicht en moest pijnlijk constateren dat hij op spiritueel niveau jaren was blijven stilstaan. Dit boek was een geschenk uit de hemel. Na Victor verschoond te hebben, gingen ze knus met z'n drieën naar bed.
'Die Scaliger moet ik maar eens snel opzoeken,' zei Michel, terwijl de oogjes van hun zoon langzaam dichtvielen.
'Neem de tijd, lieverd. Scaliger loopt heus niet weg, die woont hier al jaren,' fluisterde zijn vrouw. Een paar dagen later klopte de dokter op nummer vijftien van de Avenue de Lattre aan. Een forse bediende deed open en beweerde dat zijn meester niet aanwezig was, maar daar kwam een schriel mannetje de trap afgelopen. Het was de lijfarts van de bisschop in eigen persoon.
'Ik heb zo'n last van mijn keel, dokter,' grapte Julius Scaliger, maar Nostradamus begreep de humor niet.
'Ik zal zo eventjes kijken, maar laat ik u eerst bedanken voor dat prachtige boek dat u me heeft gegeven,' zei hij serieus.
'Is al goed. Eerlijk gezegd is het de keuze van Abigail geweest.' En de heren begaven zich naar de salon, waar het vol hing met portretten van wetenschappers en filosofen.
'Indrukwekkend, kent u ze allemaal persoonlijk?' vroeg de bezoeker.
'Niet allemaal, maar het portret dat u nu bekijkt is van Erasmus, met wie ik sinds kort een pennenstrijd voer. Ze noemen hem de grootste denker van Europa, maar ik vind dat er in zijn gedachtegang flink wat hiaten zitten,' en Julius zette zich in een fauteuil neer.
'Ik heb over hem gehoord,' bekende Michel. 'Maar wat is precies de reden van uw verzoek tot contact met mij?' en ondertussen nam hij ook plaats in een stoel.
'Uw naam valt met regelmaat op,' verklaarde zijn gastheer. 'Een arts die zich niets van de kerkelijke autoriteiten aantrekt is zeldzaam. Ik hou wel van recalcitrante wetenschappers en daar ik eveneens medicijnen heb gestudeerd, leek het mij interessant om elkaar te leren kennen.'
'Ik ben vereerd,' antwoordde Michel, die het interieur verder bekeek.
'Wat toevallig dat u juist hier in Agen bent komen wonen,' hernam Julius, 'en dan nog wel met die prachtige adellijke bloem, waarbij mijn hart overslaat.'
'Aha, vandaar uw presentje!'
'Wie weet, alles speelt mee. U bent maar een mazzelaar met zo'n prachtige vrouw.'
'Dat ben ik zeker. En wie is dat?' vroeg Michel, die een portret aanwees.
'Dat is Cardan.'
'Hm, Cardan, als ik mij niet vergis een wiskundige en astroloog.'
'Maar ook een bedrieger,' zei Scaliger schamper. 'In zijn boek De Subtilitate spreekt hij over demonen, maar de passage is letterlijk van mij overgenomen.'
'Plagiaat is geen schone zaak,' reageerde zijn gast. 'En wat voor humanistische werken staan er allemaal op uw naam?'
'Velen, maar mijn belangrijkste werk is toch de samenvatting van de algehele literatuur, die tot ver over onze landsgrenzen is uitgegeven. Tevens word ik met Erasmus gerekend tot de grote denkers van deze eeuw,' pochte hij.
'Van deze eeuw maar liefst?'
'Aan valse bescheidenheid heb ik een grondige hekel,' gaf zijn gastheer aan, en Michel moest om de eigenzinnige humanist glimlachen. De wetenschappers waren aan elkaar gewaagd en spraken nog een tijdje over de medische geschriften van Aristoteles. Het klikte goed tussen hen en ze besloten elkaar vaker op te zoeken. Die maanden groeide de vriendschappelijke band en op een zekere dag liet Julius zijn geheime bibliotheek zien. Geheim, want veel boeken werden door de Kerk als een bedreiging gezien.
'Kijk Michel, het revolutionaire geschrift van Copernicus met 'De zon als het middelpunt van het heelal'.'
'Mystici en astrologen zien de zon juist als een van de sterren,' tekende zijn collega aan. 'Maar ja, een wetenschapper wil natuurlijk bewijzen zien en wat moet deze nou met dromerij?'
'Dromen kunnen zeer nuttig zijn,' antwoordde Julius. 'Schrijf ze eens op, dan zul je merken dat het je persoonlijke ontwikkeling ten goede komt.'

Isabelle werd geboren. Ze straalde als de zon en groeide als kool. Het meisje leek wel op het middelpunt van het heelal en Victor was niet bij haar weg te slaan. Ook de kinderloze dienstmeid deed alsof de wolk van haar was. Terwijl het gezin maar bloeide en bloeide, stond er in de boze buitenwereld iets engs te gebeuren. Agen was tot dusver buiten schot van de pest gebleven, maar het noodlot sloeg alsnog toe. Nadat het eerste geval bekend was gemaakt, lag het openbare leven meteen plat. Als de dood om besmet te raken vermeed iedereen zo veel mogelijk contact. En terecht, want spoedig waren er meer slachtoffers. De progressieve stadsdokter stelde onmiddellijk een quarantaine in voor diverse wijken van de stad, waar honden en katten al lagen te rotten. Nostradamus werkte op volle toeren en haastte zich van de ene naar de andere patiënt. De taaie arts gaf de autoriteiten opdracht de lijken van zowel mens als dier diep tussen lagen kalk te begraven om besmetting te voorkomen. Voorts sommeerde hij de bevolking hun afval te verbranden, zodat er voor ratten en vlooien geen voedsel overbleef. Er hing nadien een permanente brandlucht in de straten. De nog levende pestlijders moesten zich van hem insmeren met een zalf van knoflook en aloë. De geneesheer bleef verder hameren op hygiëne en goed voedsel en de meeste stedelingen schaarden zich achter zijn methode. Sommigen vertrouwden hem echter niet en zochten een boeman voor de malaise. Er braken onlusten uit op het stadsplein, precies waar de familie De Nostredame woonde. De overwerkte arts hoorde het kabaal, liep naar het venster toe en zag tot zijn grote verbazing dat er naast de fontein een brandstapel werd opgericht. In een mum van tijd verzamelde zich er een menigte omheen en er werden twee mannen voorgeleid. De Agenois waren razend op het stel en ze schreeuwden de longen uit het lijf. Michel begreep dat de bewoners voor eigen rechter aan het spelen waren. Het hek was van de dam.
'God allemachtig, ze hebben Abigail,' riep hij eensklaps. Een van de arme drommels was zijn vriend, de boekhandelaar. Er werden allerlei verwensingen naar hem uitgeroepen en de dokter begon te koken van woede. Yolande kwam verontrust naast hem staan.
'Je blijft toch wel hier, hè?' zei ze bang, maar haar echtgenoot luisterde niet en rende witheet de straat op. Zijn verstand vertelde hem net op tijd zijn hoofd koel te houden en beheerst wrong hij zich tussen de menigte door.
'Die rotjoden zijn het kwaad, verbrand ze!' riepen enkelen vol haat. Yolande keek radeloos toe.
Als dit maar goed gaat, dacht ze, stijf van angst. De twee joden werden intussen aan palen vastgebonden en iemand probeerde de brandstapel in vlam te zetten.
'Stop!' krijste Nostradamus. Het boosaardige publiek verstomde door het dwingende bevel en deinsde achteruit voor de arts, die tenslotte met een van de De Vaudemonts getrouwd was. Ongenaakbaar sommeerde hij de laatste raddraaiers opzij te gaan en hij beklom toen bijna duivels de brandstapel. Vastberaden rukte hij de touwen los waarmee de ongelukkigen aan de palen zaten vastgebonden. De redder in nood richtte een kort moment de aandacht op zijn oude vriend. Abigail keek hem vol vertrouwen aan en er begon licht uit zijn ogen te stralen.
Wat overkomt me nu? dacht Michel en even wankelde hij door de intense schoonheid van die ogen.
O jee, geen kwetsbaarheid tonen in het bijzijn van de wolven, en zich hoedend voor een mogelijk kerend tij draaide hij zich resoluut om en sprak het volk stevig toe.
'De pest komt niet door de joden. Zo wel, dan moet dit eerst onomstotelijk bewezen worden. Jullie zijn gewoon opgefokt door woede en angst. Ga daarom nu naar huis om je te bezinnen en verstoor de openbare orde niet meer.' De verhitte massa droop af en het plein liep leeg. Pas toen Michel weer veilig in huis was, was Yolande bevrijd van angst.
'Wil je dat nóóit meer doen!' riep ze nog natrillend.
'Wat moest ik dan, die twee aan dat gespuis overlaten?'
'Je gezin heeft je levend nodig!'
'Ik leef toch nog,' plaagde hij, waarop Yolande hem mokkend met een kussen op het hoofd sloeg. De pest raasde intussen door en de dokter werkte die dagen de klok rond.

Een paar weken later sloeg het noodlot genadeloos toe bij de familie De Nostredame. Yolande en Victor werden ziek. Michel werd er pas laat in de avond mee geconfronteerd, na zijn werk. Lijkbleek constateerde hij dat het de gevreesde ziekte was.
'Het is die verdomde pest!' vloekte hij toen hij alleen in de keuken was, en met zijn vuisten sloeg hij op de muren. Het was een uiterst wrange samenloop: de pestbestrijder op het thuisfront verslagen. Zeer aangedaan bracht hij zijn vrouw het slechte nieuws.
'Al mijn aandacht naar mijn patiënten, maar niet naar jullie,' jammerde hij.
'Michel, voel je niet schuldig en beloof me dat je met Isabelle verder zal leven.'
'Ik weet niet of ik wel zonder jou kan leven!'
'Er zal vast kracht van boven voor je komen, lieveling,' probeerde ze hem te sussen. Hij waste hun opkomende wonden, bereidde het beste voedsel dat hij kon bedenken en hoopte tot de laatste minuut op een wonder, maar het mocht niet baten. Zijn bloem ging hard achteruit en stierf in zijn armen. Hij zag nog hoe de laatste gloed in haar ogen verdween en hoe haar geest het begaf. Een dag later liet ook Victor het leven en terwijl hij zijn zoontje vaarwel kuste, hoorde hij regelmatig zijn dochtertje roepen. Isabelle zat voor de veiligheid in een kamer opgesloten. De onthutste arts vertrouwde zijn gezonde kind een dag aan de meid toe en bracht de stoffelijke overschotten van zijn gezinsleden naar Puivert. Zijn echtgenote wenste namelijk in het familiegraf begraven te worden. De De Vaudemonts zagen met ontsteltenis een wagen met lijkkisten naderen met hun familielid op de bok. Ze begrepen natuurlijk wat er was gebeurd, maar uit angst voor de levensbedreigende ziekte lieten ze de poort dicht.
'We zijn er kapot van,' riep de graaf vanuit een venster, 'maar er zijn hier nog meer mensen van wie ik hou.'
'Ik snap het. Kan iemand me dan helpen met het delven van het graf, veilig en wel op afstand?' vroeg zijn schoonzoon.
'Nee, sterkte,' brak de graaf het gesprek harteloos af en hij sloot daarop de luiken. Verbitterd en alleen begroef de weduwnaar zijn vrouw en kind in het familiegraf, dat net buiten de poort lag. Zijn aangetrouwde familie keek onderhand stiekem vanuit de burcht toe. Terug in Agen ontfermde de geneesheer zich over zijn dochter, die hem dwong om door te gaan met leven. De eerste leugen over hem verspreidde zich door de stad: Yolande door haar eigen vader begraven. Die avond klopte de dienstmeid aan de deur. Een zwaar depressieve Nostradamus deed open en vroeg wat er aan de hand was.
'Dokter, ik kom u waarschuwen. De De Vaudemonts hebben de stedelingen tegen u opgestookt. Ze beschuldigen u ervan uw echtgenote opzettelijk te hebben laten sterven om er met de bruidschat van door te gaan. Ook wordt er geroddeld dat u een jodenvriendje bent. Ik moet u dit vertellen, mijnheer, omdat ik weet dat u een goed mens bent,' en ze rende weg. Michel vergrendelde direct de voordeur, liep piekerend door het huis en nam voorzorgsmaatregelen. Boven in het slaapvertrek keek hij even naar het zorgeloze gezichtje van Isabelle, die rustig lag te slapen. Nu pas kon hij huilen en de wind, die door het open venster waaide, beroerde zijn tranen. Toen werd de stilte verbroken en waren de poppen aan het dansen. Opgehitste stadsgenoten met fakkels riepen kwaadaardige leuzen en verzamelden zich in groten getale voor hun huis.
'Moordenaar,' riepen ze, 'je verdient de doodstraf.' Michel keek met &ea